* Ouderwetse plaatjesdag ten huize Boleuzia! Eerst Homeboy van Seth Morgan uitgelezen, een interview uitgetypt, wat rondgelummeld, frieten & stoofvlees gegeten, maar vooral dus plaatjes opgegooid. In willekeurige volgorde o.m.:
Is This Real? (****1/2) is het debuut van the Wipers, de band rond meestergitarist Greg Sage die intussen vooral bekend staat als een invloed op Nirvana. Deze plaat, hun debuut, balanceert op de rand tussen rauwe punk en gitaarrock. De rauwheid van punk springt het meest in het oor, maar meerdere beluisteringen geven prijs dat er al meer aan de hand was dan eendimensionaal gebeuk of sloganesk gewauwel. Latere albums zouden avontuurlijker zijn (Youth Of America, met z’n uitgestrekte composities) of misschien nog betere songs bevatten (het geweldige, aanbevelenswaardige Over The Edge of de dromerige prachtplaat Silver Sail), maar deze heeft die beginnersurgentie die na 27 jaar nog steeds aankomt als een regelrechte patat op a mulle. Hoogtepunt: “D-7″. /// Nr. 2, Zen Arcade (*****) van Hüsker Dü, krijgt de eerder twijfelachtige eer m’n meest gedraaide plaat te zijn. Het is waarschijnlijk ook m’n favoriete album aller tijden, net als de vorige vijftien jaar of zo. De emotionaliteit, spanning, experimenteerdrift en sound van het album is genoeg om me nog steeds stil te krijgen (niet dat daar zoveel voor nodig is). Wie het graag iets meer gemotiveerd wil neemt hier of hier een kijkje. Hoogtepunt: “I’ll Never Forget You”, een schuimbekkend vaarwel.
Damien Jurado is voor mij de Raymond Carver van de hedendaagse singer-songwriters. Net als Carver weet hij met een minimum aan middelen een hele wereld op te roepen, met personages die vastzitten in hun leven, in de knoop liggen met zichzelf en heelhuids door dit bestaan proberen te raken (met wisselend (gebrek aan) succes). Met Gathered In Song waagde hij zich aan rock (I Break Chairs), maar hij is z’n best als hij het rustig aan doet. And Now That I’m In Your Shadow (2006) was een bescheiden parel, net als deze Rehearsals For Departure (****) uit 1999, een ingetogen werk met een paar prachtige popsongs als “Tornado” en “Letters & Drawings”, die echter niet opkunnen tegen de sobere schoonheid van een song als “Ohio”. Het is te beluisteren op in dit YouTube-filmpje. /// Like, Love, Lust & The Open Halls Of The Soul (****) van Jesse Sykes & The Sweet Hereafter was een van m’n persoonlijke hoogtepunten van dit voorjaar. Een laatavondplaat die net als de twee voorgangers enige tijd nodig heeft om te bezinken, maar zich wel laat kennen als Sykes’ meest toegankelijke plaat. Er wordt nu en dan een tandje bijgestoken zodat het naar pop/rock neigt, gitarist Phil Wandscher krijgt meer tijd in de spotlights en die stem is nog steeds onvergelijkbaar. Piek: “Station Grey”.
Wie kent hen nog? Alhoewel: degenen die hen aan het werk zagen in de jaren negentig zijn hen waarschijnlijk nog niet vergeten. X-Legged Sally is waarschijnlijk nog altijd de beste experimentele (jazz-)rock/avant-garde/whatever-band die dit land ooit rijk is geweest (al komt dan ene album van Fukkeduk wel dichtbij). Twee retestrakke plaatjes die Zappa, prog, carnaval, wave, onzin en jazz in de blender gooien en op de proppen komen met een dwarsliggende geluidssoep die nog steeds verrassend fris klinkt. Aanvoerder Peter Vermeersch doet nog altijd boeiende dingen, nu vooral met Flat Earth Society. Ideale intro: “Skip XXI”.
In het rijtje guilty pleasures wordt bij mij steevast een plaatsje gereserveerd voor über-macho Glenn Danzig, een egotrippende lul Grand Cru die er niet om maalt pseudo-Satanische liederen voor te dragen terwijl hij over het podium schuimt in visnetshirtjes en na zijn werkuren vertoeft in de nabijheid van siliconenbimbo’s die het artwork van ’s mans laatste platen ver, heel ver, over de grens van de slechte smaak gedreven hebben. Maar hey, met Danzig erbij waren The Misfits behoorlijk goed (Walk Among Us! Earth A.D.!), en die eerste vier Danzig-albums (1988-1994) bevatten uitstekende hardrock (beter dan “Mother”, alhoewel ik dat niet eens een slechte song vind). The Lost Tracks Of Danzig (***) is een recent uitgebrachte dubbelaar met een boel outtakes en demos die zijne Zelfingenomenheid achteraf in de studio heeft opgekalefaterd. Vandaar dat ik er geen idee van heb of dit eigenlijk wel aanspraak kan maken op authenticiteit, maar kom, een aantal songs hoeft toch niet onder te doen voor het niveau van zijn oude werk. /// The Cult Of Ray (**) van Frank Black haalt nergens het niveau van zijn debuut of voorganger Teenager Of The Year en is wat mij betreft z’n zwakste soloalbum.
Diamanda Galas. De naam alleen al. Enkele van haar platen (zoals deze) behoren tot de meest roekeloze, genre-overschrijdende en pijnlijke albums die ooit aan de man/vrouw gebracht zijn. Luisteren vraagt soms om een forse dosis masochisme. Niet dat dat hier een probleem is (zoek het niet te ver!). Maar denk vooral niet dat iemand aan haar denkt als er weer een lijstje wordt opgesteld met de meest interessante vrouwenstemmen van de laatste paar decennia. Enfin ja. Malediction & Prayer (****1/2) is een behoorlijk toegankelijke liveplaat uit 1998 die niet bestaat uit confronterende eigen songs (al dan niet met politieke boodschap), maar covers van populaire en wat obscure songs. Het resultaat: verbluffend. Hoogtepunten: “The Thrill Is Gone”, “Insane Asylum” en “Gloomy Sunday”. Wie niet waagt, is een mietje. /// Wat braver gaat het eraan toe met Joan Armatrading, de dag van vandaag doorgaans ingedeeld bij de duffe oma’s. Niet alles op huismoederplaat Show Some Emotion (1976, ***) is even goed (en “Warm Love” is zelfs tenenkrullend genant), maar songs als “Woncha Come On Home” (heel even lijkt het op CocoRosie!), de titeltrack en vooral “Kissin’ And A Huggin’” zijn redelijk onweerstaanbaar.
Ik leerde de Franse punk/pop-band Les Thugs kennen via Virus 100, een compilatie uit 1992 waarop een hele resem te gekke bands (Nomeansno! Napalm Death! Victims Family! Neurosis! etc) zich te goed doen aan klassieke en minder klassieke songs uit het Dead Kennedys-oeuvre. Hun cover van “Moon Over Marin” was meteen één van m’n favorieten en toch duurde het jaren voor ik hun albums in huis haalde. Zo lang dat ze intussen zelfs gesplit waren. Spijtige zaak, want zowel I.A.B.F. (1991, ****) als Strike (1996, ***1/2) zijn ongemeen hard rockende platen die er alles aan doen om een brug te slaan tussen de pure popsnoep van the Buzzcocks, de gruizige variant van Hüsker Dü en de shoegaze- en droompop van bands als Ride en My Bloody Valentine. Niet enkel korte opgejaagde brokken energie dus, maar ook langgerekte, hypnotische knallers. Erg vernieuwend klinkt het de dag van vandaag niet (en de gemiddelde zestienjarige zal er dan ook z’n neus voor ophalen), maar songs als “Stop The War”, “Power Race”, “Good Friends”, “Poison Head” en “Assez” zijn right up my alley. En dat volstaat.
* Intussen voor de tweede keer begonnen aan Flannery O’Connors Wise Blood. Ik las het al eens toen ik een jaar of zestien was. Waarschijnlijk ga ik het nu (nog) meer waarderen. Iemand de verfilming van John Huston met een gewéldige Brad Dourif gezien? Superfilm.
NP: Richard Thompson – Mirror Blue













