Ik moet bekennen (verdomme, dat wordt hier nog een bedevaartsoord voor liefhebbers van beschamende belijdenissen) dat ik een beetje een haat/liefde-verhouding hebt met elektronische muziek (reken hiphop, triphop en andere -hops daar ook maar even bij voor het gemak). Eén en ander heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat ik sinds m’n vroege tienerjaren zot was van gitaarrock (in de breedst mogelijk denkbare vorm), en het moest dan niet eens heavy of heftig feedbackend zijn. Daarenboven komt dan nog eens dat ik een verhalenmens ben. Ik ben geen lyrics freak, maar ik hou wel van volk dat iets te vertellen heeft. Randy Newman, Richard Thompson, Johnny Cash, de gebroeders Wright (Nomeansno), Dylan,… het zijn helden. De kans dat de muziek me dan weten te raken is eens zo groot.
Elektro (ik verwijs nu even naar de serieuze variant, niet het gabbergezeik en platte technogebonk dat doorgaans uit de blinkendste tweedehandscabrio’s schalt) is vaak uitstekend voor op de dansvloer, maar kijk… ik ben geen danser (als het dan toch gebeurt, zo eens om de twaalf jaar, dan is het waarschijnlijk na de combinatie ‘James Brown’ + ‘te veel bier’). En als ik luister naar bvb. Underworld, The Chemical Brothers of Aphex Twin, om maar enkele genregroten aan te halen, dan heb ik vaak het gevoel dat ik iets mis, dat men vergeten is er een ingredient aan toe te voegen. Hoe vaak lees je in recensies over elektronische muziek niet dat de plaat in kwestie iets heeft van een soundtrack bij een imaginaire film of de sonische tegenhanger is van *vul filmtitel in*. Ik heb dat dus zelden. Ik hoor digitale geluiden, een aaneenschakeling van beats en keys en knopjesdraaierij die mechanisch is, en perfect in synch en daardoor de lillende schwung van, pakweg, een oude funkplaat mist. Ik besef dat ik weer bezig ben in zwart/wit-termen, maar hey, ik ben een pragmatisch denker. Als de boodschap maar overkomt…
De voorbije jaren heb ik heel wat elektronische muziek mogen ontdekken die dit grotendeels weet te compenseren met sonische inventiviteit, opzwepende ritmes, atmosferische experimenten of excentrieke kruisbestuivingen, maar als ik een paar uur elektronische muziek heb gehoord, en het maakt daarbij niet uit of het gaat om Kraftwerk, The Prodigy, Hot Chip of Fennesz, dan wil ik na een tijdje nog eens een belachelijk ouderwetse songs horen met drums en bas en gitaar en zang. Iets dat niet volledig digitaal is, of waarvoor een versterker moet aangesleept worden. Of iets met snaren. Ik heb het voor de droge avontuurlijke old school hiphop van Run DMC, Digital Underground, NWA, Public Enemy, Boogie Down Productions, Eric B. & Rakim, het soort spul dat tekstueel én muzikaal boeiend was en ver verwijderd was van wat de dag van vandaag voor hiphop wordt versleten. Nu ja, ik ben écht een ouwe zak, want op een paar songs na vond ik zelfs aan de zo bejubelde Wu-Tang Clan niet veel meer. Enfin ja.
Die Endtroducing… was dan weer een van die tot must have gebombardeerde platen die ik wel kort na release aanschafte (en dat in de midden jaren negentig, toen ik bijna exclusief naar jazz luisterde omdat rock plots zo hol geworden leek), want wat die DJ Shadow deed, dat was anders, dat was divers, donker en swingend, had substantie, groove, inventiviteit, seks en een eigen karakter. Snel zou blijken dat het om een moderne klassieker zou gaan, het soort album dat de voormalige leiders op een achterstand sloeg en aanwees op achtervolgen voor een paar jaar. Het was het album dat enkel gemaakt had kunnen worden door een nerd met een encyclopedische kennis van elektronica/dansmuziek, want op Endtroducing… blijft het niet bij beats, maar wordt de hele popcultuur (of toch een fors stuk) erbij gesleept. Het is een stuk collagekunst die nu eens abstract is en dan vet funkend, de ene sample aan de andere koppelt met zoveel aplomb dat het lijkt alsof de onderdelen voorbestemd waren hun weg te vinden tot dit specifieke album.
En intussen dus ook een deel van de 33 1/3-reeks van continuum. Dit volume werd neergepend door freelance-schrijver Eliot Wilder, die eens niet koos voor de academische of de microscoopaanpak, maar de oerklassieke journalistieke vorm: het interview. Na een goed geschreven, boeiende inleiding van een twintigtal pagina’s wordt de lezer dan ook getrakteerd op een interview met Shadow van zo’n tachtig pagina’s dat chronologisch het parcours naar Endtroducing… aflegt, van zijn kinderjaren in het duffe suburbia in Californië, zijn ontdekking van muziek, vroege hiphopverslaving in de mid-80s, een serieuzere verslaving aan vinylaanschaf en eerste experimenten met mix tapes. In high school was Josh Davis al als een bezetene met de hiphopcultuur bezig en het soort gek dat zich zelfs ging aanmelden bij programmamakers van de radio om te kunnen bijleren. Zijn carriere nam en vlucht toen hij onder de hoede van Mo’ Wax-baas James Lavelle terechtkwam.
In de vroege jaren negentig maakte hij als adolescent een paar singles (“In/Flux”, “Lost And Found”, What Does Your Soul Look Like?”) die intussen innovatief bleken te zijn voor hun tijd, maar niets of niemand had de komst van Endtroducing… kunnen voorspellen, een plaat die door velen boven Nevermind of OK Computer wordt verkozen als dé soundtrack bij de geschifte nineties. Wat er ook van zij, het is een album dat los van z’n invloed terecht aanspraak kan maken op een volume in de reeks, en met de bijdrage van Wilder een degelijk, inzichtrijk eerbetoon heeft gekregen. Ik had liever gehad dat de aandacht wat meer toegespitst werd op de plaat, maar dan krijg je natuurlijk van die detailneukerij die enkel door een paar klojo’s gesmaakt wordt. Dikke aanrader voor liefhebbers van de plaat. (***1/2)
Dat doet me er trouwens aan denken dat ik dringend werd moet maken van de verdere aanschaf van het werk van DJ Shadow. Ik heb gehoord dat zijn latere albums (slechts twee?) slappe kak zijn in vergelijking met Endtroducing…, maar dat kan toch niet helemaal waar zijn, zeker?
NP: The Dream Syndicate – The Days Of Wine And Roses (na 250 beluisteringen: wat.een.plaat) en ook: John Zorn – Filmworks Vol. 18, The Treatment (dat titelnummer! swingen als een tiet, en wat voor een! en met accordeon! )




het zal u misschien verbazen noenkel guy, maar ‘endtroducing’ was mijn nr.2 van ‘96 (voor beck’s ‘odelay’ en na ‘in a bar…’ van deus) ‘endtroducing’ is dan ook voor mij één van die weinige écht essentiële “electronische” platen, samen met ondermeer Tricky’s ‘Maxinquaye’, de 2 Portisheadplaten, ‘blue lines’ van Massive Attack en ‘the contino sessions’ van Death In Vegas. En inderdaad ja, ‘the private press’ was daarna behoorlijk slappe kak in vergelijking met ‘endtroducing’… ligt hier nog altijd weg te rotten, want ik raak ‘m zelfs niet kwijt bij Arlequin…
“The Private Press” valt nog mee. Zijn laatste (”The outsider”?) is te mijden. Je koopt dan beter de singles-collectie “pre-emptive strike”.
Roen, leg die dan maar aan de kant, ik zal die wel eens komen oppikken om ‘m te beluisteren.
Ik heb gisterenavond nog je bespreking van z’n laatste gelezen, sezaar. ik zal die voorlopig mijden en es rondkijken voor die compilatie.
Ik breng hem anders wel eens mee hoor. Pre-emptive strike heeft mijn broer op lp. Die laatste is een stinkerd van formaat. Mattias heeft die gekocht voor de collectie (je vindt hem voor 7 euro) maar hij luistert er ook niet naar.
DJ Shadow, Mo’ wax, waar is de tijd… 10 jaar geleden alweer.
Wie kent er nog “What’s that sound?” van Sam Sever, sublieme single. Net als ‘A whim” van DJ Krush, en Clubbed to death van Rob Dougan. Ik heb hier ook nog ergens die dubbele verzamelaar “Headz”, een mooie uitgave trouwens (kenmerkend trouwens voor Mo’ wax die mooie verpakkingen)
Sam Sever and the raiders of the lost art; idd. een fantastisch nummer. Hier nog te beluisteren:
http://www.myspace.com/samseverandtheraidersofthelostart
Dougan (http://nl.youtube.com/watch?v=PMq4akUZr8c) was ook wel de moeite.
Een trip down memory lane…:-)