Het is altijd bijzonder om te lezen over een plaat of artiest die je nauw aan het hart ligt, dus bij het lezen van Ramones was het dubbel prijs. De eerste plaat van de Ramones die ik kocht was Ramones Mania, een compilatie (815 frank in de New Music in Genk! Een FNAC-prijs!) met een dertigtal nummers uit hun eerste tien platen (1976-1987), maar niet lang daarna vond ik Ramones (1976) én hun derde, Rocket To Russia (1977), op LP op de Genkse rommelmarkt (500 BEF voor de twee). Dat moet in de zomer van 1990 of 1991 geweest zijn. Ik had net punk ontdekt (m’n eerst CD-aankoop was een 3CD-box van The Clash met daarin The Clash, Give ‘Em Enough Rope en Combat Rock), beschikte over een platendraaier die fatsoenlijk werkte en was ongetwijfeld opgewonden dat ik de oude platen van the Ramones (confronterend dat de platen sindsdien al meer dan dubbel zo oud zijn geworden) in m’n bezit had. Ik hield van de humor en de snelheid, van die combinatie van turbosongs van korte duur, het absolute gebrek aan vulling en de nerdiness, van de 1,2,3,4enwezijnvertrokken van “Blitzkrieg Bop”, “Teenage Lobotomy”, “Chain Saw” en “Rockaway Beach”.
Ik had ook al snel door dat hun versie van punk (die werd gecreëerd voor het begrip een marketingterm werd) eigenlijk geen reet te maken had met het beeld van punk waar ik mee was opgegroeid: dat van gewelddadig boers lawaai voor ongemanierd krapuul met kapotte kleding, ontplofte kapsels en vuile manieren. Punk heeft niets te maken met je gedragen als een zwijn. Ramones steekt niet onder stoelen of banken, en dit haalt Rombes ook herhaaldelijk aan, dat het zwaar leentjebuur speelde bij pre-Beatles pop, bij The Beach Boys, The Beatles zelf. Punk stond hier m.a.w. niet als synoniem voor afbraak, maar voor een nieuw begin, een revitalisatie. De vier Ramones waren niet meer dan een paar nostalgici die gewoon opnieuw goeie, catchy songs op de radio wilden horen, die niet gedwee de tirannie van de gitaargod aanbaden (vandaar het dédain voor progrock en gladde, aan de band geproduceerde rommel die hoogtij vierde begin/midden jaren zeventig), de ‘back to basics’ letterlijk namen en dat meer dan twee decennia zouden volhouden zonder koerswijziging.
Ik zag de Ramones drie keer live, en terwijl ze toen al ruim over hun piek waren (het volstaat om It’s Alive (1978) en Loco Live (1991) eens na mekaar te beluisteren – de laatste is veel sneller en strakker, maar inferieur aan de swingende eerste, die ik nog steeds aanbeveel als de beste, puurste Ramones-plaat), was dan toch een mokerslag die aankwam. De Ramones dat waren de Ramones, die veranderden eigenlijk niet, telden gewoon af en rammelden een uurtje, deden hun ding. Door die halsstarrige weigering om te veranderen, vooruitgang te boeken, verder te gaan zoeken, schrijft Rombes over hen als onbewuste revolutionairen wiens aanpak indruiste tegen ales wat van en muzikant verwacht werd: transitie, ontplooiing. Rombes vraagt zich af of Ramones (1976) “the last great modern record or the first great postmodern one” is, en doet dit door de plaat uitvoering te kaderen in discussies over het ontstaan van het woord “punk”, het genre punk, de verschillen tussen de Britse en Amerikaanse opvattingen, het gehanteerde discours, en de link met de muziekjournalistiek.
Het was pas in de tijd van de punkexplosie midden jaren zeventig dat de amerikaanse muziekcritici, met volk als Greil Marcus, Jim Derogatis, Robert Christgau, Richard Meltzer, Lester Bangs en een resem anderen hun taak serieus gingen nemen, een kader schepten om muziek te benaderen en het pad van de literaire aandoende journalistiek gingen bewandelen. Tegenover die plotse groei van de individualistische aanpak, waarbij ook een heel aantal punkartiesten (denk aan Patti Smith, Richard Hell, Peter Laughner en David Thomas van Rocket From The Tombs, de voorloper van Pere Ubu) zich waagden aan het geschreven woord, stond dan die haast cartooneske aanpak van de Ramones die zich nooit schuldig maakten aan dat individualisme. Hun songs verwezen naar pulpfenomenen (B-films en comic book-helden) die alleman kende, gingen over good times, lijm snuiven, dansen, weekendgeweld, maar nooit vanuit een (expliciet) persoonlijk perspectief. Daarbij kwam dan nog eens de identieke achternaam en de gelijke kostuumpjes en een nieuwe legende was geboren.
Rombes spendeert bijna tweederde van zijn boekje aan de socio-culturele context, maar deze is, i.t.t. wat Warren Zanes biedt in zijn boekje over Dusty In Memphis, wel steeds erg relevant. Rombes schrijft vlot, biedt inzicht en graaft dieper zonder zich te verliezen in vergezichte theorieën en slaagt erin heel wat perspectieven over band en album te verenigen in een boekje dat op een uurtje of twee uit is. Ook leuk: zijn bespiegelingen over de volgorde van de songs, de detailbeschrijvingen, de lay-out, etc. Er is geen enkel genre waar ik zo veel over heb gelezen als punk, dus Rombes gunde weinig nieuwe inzichten (dat was ook niet de bedoeling, veronderstel ik), maar het is een mooie aanvullig bij de klassieke Ramones-albums en andere belangrijke punkboeken zoals From The Velvets To The Voidods van Clinton Heylin, het amper leesbare maar cruciale Please Kill Me van Legs McNeil en Gilian McCain, en In the Fascist Bathroom en Lipstick Traces van Greil Marcus. (***1/2)
NP: Dinosaur Jr. – Beyond (de naald geraakt maar niet verder dan “Pick Me Up”)


