Omdat de optelsom van “jazz + nederlandstalig” niet steeds “Jules Deelder” moet zijn. Ik heb eigenlijk nog maar heel weinig boeken over jazz uit dit taalgebied gelezen, het enige dat ik zelf in m’n kast heb staan is een pocketversie van Hans Dulfers Jazz in China & Dulfer’s dumdum, een verzameling stukjes en kritieken, beschouwingen en kanttekeningen bij jazz, de Nederlandse scene, kruisbestuivingen en andere opgemerkte evoluties. Memorabel vond ik natuurlijk het feit dat Dulfer zo hoog opliep met de amerikaanse thrashbands van de jaren tachtig (en vooral “dat overgevoelige en supersnelle groepje Slayer”).
Andere koek met J. Bernlef, die in de eerste plaats een schrijver is, vooral van proza, en in de bundel Haalt de jazz de eenentwintigste eeuw? (1999) iets doordachter, literairder en serieuzer te werk gaat. Ook deze 140 pagina’s zijn een amalgaam aan tekstsoorten met telkens wisselende invalshoeken, al valt na enige tijd wel op dat Bernlef zo z’n stokpaardjes heeft (het conflict tussen, of samengaan van, compositie en improvisatie is er zo eentje). Een eerste deel spitst zich toe op portretten van oude legendes. Zo is er een gefingeerd interview met bebopicoon Charlie Parker, maar ook enkele mooie portretten van pianist Bill Evans, van de snel uitdovende ster van de zweedse baritonsaxofonist Lars Gullin, die slechts een korte periode aan het jazzfirmament gegund was, en een tekst over het met tragiek overgoten leven van de geniale Bud Powell.
Het tweede deel betreedt minder bekende paden, en concentreert zich op componisten die doorgaans niet tot de jazz gerekend worden, maar er wel door gefascineerd of beïnvloed waren. Zo is er Charles Ives, zowat de meest geroemde ‘klassieke’ componist van de Verenigde Staten, en een muzikaal anarchist die niet enkel volksmuziek durfde incorporeren in een voorheen zo elitair idioom, maar ook het toeval en de inbreuken van die wereld daarbuiten (omgevingsgeluiden, etc) op de muziek een actieve rol gaf. De stap naar de jazz, met zijn grotere vrijheid en nadruk op improvisatie is dan snel gezet. Met enkele vrienden was Bernlef zelf verantwoordelijk voor het ontstaan van een Nederlandse Charles Ives Society, wat meteen genoeg suggereert over de interesses van deze jazzliefhebber.
Even intrigerend is de muziek en persoon van de intussen zo goed als vergeten Robert Graettinger, een op jonge leeftijd al overleden arrangeur/componist die de stiel leerde bij het swingorkest van Stan Kenton, en al snel bekend raakte als een exponent van de ‘third stream’, een school muziekvernieuwers met als hoofddoel de klassieke muziek meer te gaan enten op jazz, wat vaak leidde tot pretentieuze experimenten die zelfs de dag van vandaag nog onder de avantgarde zouden geklasseerd worden. De bijdrage over de samenwerking tussen Miles Davis en componist Gil Evans (die resulteerde in o.m. Birth Of The Cool, Miles Ahead, Porgy & Bess en Sketches Of Spain) lijkt dan weer meer op een aanzet tot, dan een volwaardig essay.
Ik ben geen kenner, maar de Nederlandse jazzscene lijkt me in de jaren zestig en zeventig een pak spannender geweest te zijn dan de Belgische. Misha Mengelberg, Han Bennink en Willem Breuker zijn toch namen die ook bij buitenlandse jazzfans bekend zijn. Zit ik fout alsd ik bij dit land enkel aan René Thomas en Toots kan denken voor die periode? In zijn teksten over pianisten Misha Mengelberg en Guus Janssen, en zijn interview met Leo Cuypers, blijkt niet enkel Bernlefs voorkeur voor piano als jazzinstrument (hij is duidelijk ook een Tristano-fan), maar ook opnieuw diens interesse voor de eeuwige wisselwerking tussen compositie (de componist staat zelf centraal) en improvisatie (de muzikant bepaalt de toekomst). Het zijn deze teksten die het taaist zijn. Hier en daar verliest Bernlef zich haast in schrijverij die zowat even obscuur leest als de reputatie die jazz heeft bij heel wat niet-ingewijden, of citeert hij uit bronnen die er nog een schepje bovenop doen. Een voorbeeld:
“De muziek van Janssen levert commentaar. Haar weg is de omweg. De componist drukt zich uit door vorm te geven aan zijn visie op muzikale gewoonten en gebruiken. Janssen is, zoals hij zelf heeft opgemerkt, niet een componist die zich in de eerste plaat met klankvoorstelling bezighoudt, maar met muziek als taal, taal “in de zin van betekenissen die in verband met elkaar staan”. Deze betekenissen zijn gefixeerd in wat men het vocabulaire van historische muzikale stijlen zou kunnen noemen, anders gezegd, in dat wat sinds de dagen van het serialisme, toen het componeren zich met geweld in een toestand van absolute geheugenloosheid probeerde te brengen, voorgevormd materiaal heet: het hele arsenaal van vormen, genres, procédés, retorische figuren en muzikale gebaren dat de muziekgeschiedenis heeft opgeleverd.” (p. 115)
Het beluisteren van AC/DC zou er haast iets vulgairs door krijgen.
Bernlef sluit af met een ode aan Amerikaans jazzcriticus Whitney Balliett en tenslotte met een essay dat de titel van de bundel draagt en ingaat op een relevante vraag binnen de hedendaagse jazzwereld, nl. waar nu naartoe? Sinds de verworvenheden van de free jazz van de jaren zestig en zeventig heeft jazz immers andere moderne muziek bijgebeend op technisch gebied, en hebben de verschuivingen en opeenvolgingen van oudere paradigma’s (van New Orleans naar big band, naar bebop, naar cool jazz, naar hard bop, etc) plaatsgemaakt voor een soort van postmoderne whatever-houding. De strijd van de dogma’s en paradigma’s is weg, mengvormen vieren hoogtij, alles mag én kan, en bijgevolg heeft niets waarde en is verzet en rebellie onnodig, zelfs onmogelijk. Verzet tegen wat dan wel? Het feit dat alles mag?
Twee “scholen” (bij gebrek aan een beter woord) nemen plaats tegenover mekaar: die van naar de traditie en compositie neigende, die terugkeer en uitzuivering van vroegere verworvenheden als een mooi ideaal beschouwt (denk aan Archivaris Wynton Marsalis), en anderzijds een meer elitaire gedachtengoed dat staat op verdere vernieuwing ondanks de forse inhaalbeweging van de voorbije decennia. Interessant is daarbij dat Bernlef opmerkt dat net doordat jazz geïnstitutionaliseerd werd, gedoceerd werd, als theorie verkocht werd én wordt, komaf wordt gemaakt met de mogelijkheid tot zelfontplooiing en karaktervorming die er vroeger wel nog was. Jazz was a-theoretisch, auditief aangeleerd en dwong muzikanten een eigen persoonlijkheid te vormen. Vandaar dat de de naoorlogse jazz tot de jaren zestig (die de muzikant, en niet de compositie, centraal stelde) zoveel iconen heeft opgeleverd.
Wat dat betreft kan ik niet anders dan me (zelfs intuïtief) aansluiten bij Bernlef: leer een onbeschreven blad over het volledige gamma dat beschikbaar gesteld wordt, leer het de kunst volledig beheersen op een technisch niveau, en de kans dat er nog een persoonlijkheidsontwikkeling aan te past komt is zoveel kleiner, want die dient immers vooraf te gaan aan, of gelijktijdig te verlopen met, het leerproces. Net zoals een rockschool een imbeciele aanfluiting is van de eigenlijke identiteit van rock (grote namen worden groot door regels aan hun laars te lappen en/of om te buigen, niet door ze op te volgen), zo ook kan jazz enkel vernieuwen, of muteren in iets anders, door het opstaan van een nieuwe identiteit.
Haalt de jazz de eenentwintigste eeuw? is een gevarieerd en polemisch boekje dat interessant kan zijn voor elkeen voor wie het genre net dat ietsje meer is dan een plaat van Chet Baker en Billie Holiday (zonder afbreuk te doen aan de kwaliteiten van die grootheden) omdat dat mooi staat en zorgt voor een gezellige sfeer bij een glas Martini en kom olijven. Nnnnice. (***1/2)
NP: Ornette Coleman – Tomorrow Is The Question



