Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for april, 2007

april 2007

(010407) Out Now.Als er al iemand geïnteresseerd zou zijn in wat ondergetekende zoal uitvreet als hij richting Limburg trekt, dan is nu ’t moment aangebroken om op te letten. De split-EP die we met Pablo Diablo opnamen in december en januari, is nu definitief een feit. Vijf nummers per band, vijfentwintig minuten kabaal in totaal. Voorlopig te verkrijgen via http://www.gurugonorroe.be/, een aantal platenwinkels (zie ook de site) of via mij. Enkele songs staan op http://www.myspace.com/gurugonorroe, http://www.myspace.com/pablodiablomusic en http://www.myspace.com/mrmama

Ook goed om te weten:

mrmamapaulswereld

Ge doet ermee wat ge wilt.

De week ervoor mag Mr Mama trouwens ook van jetje geven in Luik, in het goed gezelschap van o.m. Blutch, Black Cobra en Acid King.

mrmamaluik

(020407) Gelukkige verjaardag, D.

Met enige vertraging, maar kom. Als hij niet zou omgekomen zijn bij een ongeluk in december 1985, dan zou Dennes Boon gisteren negenenveertig geworden zijn. Boon was zanger/gitarist van de Californische punkband The Minutemen, een trio (naast Boon ook bassist/zanger Mike Watt en drummer George Hurley) dat voor mijn part de kern van “punk” benaderde als geen ander. Net als veel generatiegenoten die aan bod kwamen in de documentaire American Hardcore (kijk es op YouTube voor de volledige documentaire in 10 delen) waren ook The Minutemen een stel verontwaardigde tieners die simpele, verontwaardigde muziek maakten als reactie tegen het politieke klimaat, de dinosaurusrock van de late 70s, etc etc, maar in tegenstelling tot veel van hun generatiegenoten wisten ze steeds het nauwe keurslijf van bruut/snel/monotoon te overstijgen. “Punk is whatever we make it to be” was de leuze, en de nalatenschap is verbijsterend. De dubbelaar Double Nickels On The Dime (1984) wordt door heel wat mensen die ‘m gehoord hebben op handen gedragen, en staat ook in mijn persoonlijke Top 5 aller tijden. Kortom, het is een plaat die levens kan veranderen, omdat ze getuigt van een visie, creativiteit en energie die nu nog steeds verbijsterend is. Dat Mike Watt, wiens complete oeuvre is opgedragen aan z’n overleden vriend, nu nog op elk optreden te horen krijgt dat D. Boon mensen ertoe heeft aangezet een eigen band te beginnen, zegt genoeg. Robert Christgau, een van de belangrijkste rockjournalisten had het over “a rock death that for wasted potential has Lennon and Hendrix for company”, en dat vat het samen. Lees over de Minutemen, kijk naar de geweldige documentaire We Jam Econo die vorig jaar verscheen, en beluister de platen eens.

(100407) Peter Robinsn – In A Dry Season.

In m’n wonderjaren was ik een fervent, zeg maar verwoed, lezer van de betere schelmen- en pulpromans – Joyce, Proust, Burroughs, Pynchon en Danielewski, het kon niet gortig, woest en platvloers genoeg zijn – maar dezer dagen vul ik als plichtsbewust burger m’n zeeën van tijd doorgaans met het doorworstelen van vuistdikke analyses van la condition humaine verpakt in protserige, paginalange metaforen, inclusief uitstapjes richting filosofie (hoe hermetischer, hoe beter!!), sociologie, psychologie en postkoloniale politieke perspectieven. In het kader van een pedagogische uitstap naar Noord-Wales ben ik de plaatselijke ramsjsecties dan ook overhoop gaan zetten en met een karrevracht food for thought huiswaarts gekeerd. Zo o.m. In A Dry Season (1999) van de naar Canada uitgeweken Brit Peter Robinson op de kop kunnen tikken voor een luttele 2 pond, een bedrag waar je ter plekke een achttal sigaretten van het merk Marlboro voor krijgt. De keuze was snel gemaakt. “Gade nu eindelijk ne keer stopp’n met rook’n?”

Ik had nog nooit gehoord van Robinson, iets dat naarmate ik vorderde in In A Dry Season steeds een belachelijker idee werd. Het is namelijk een prima misdaadroman in de Britse traditie van o.m. Ian “who else” Rankin en Patricia Cornwell. Ook hier gaat het om een serie waarin steeds hetzelfde personage opdraaft (inspecteur Alan Banks), die meer dan een paar oppervlakkige gelijkenissen vertoont met genre-iconen als Morse en Rebus. Niet alleen gaat het om een door het leven getekende veteraan met persoonlijke, relationele en professionele problemen; het gaat ook om een levensvisie en een resem sociale handicaps (“In my solitude you haunt me…” etc, u kent dat wel, compleet met plaatjes klassieke muziek) die intussen tot de gemeenplaatsen van de misdaadschrijverij zijn gaan behoren. Vijfhonderd pagina’s slaagt Robinson erin de lezer (deze jongen, althans) bij de les te houden, en dat met een bijna belachelijk simpele structuur: op een dag vind een jongetje een lijk in een uitgedroogd meer, en het is aan Banks en zijn (beschikbare) vrouwelijke collega om uit te dokteren over wie het gaat en hoe deze persoon het hiernamaals in werd gejaagd. En dan komt hij op de proppen met gegeven #2: hij vertelt het verhaal van het betreffende slachtoffer aan de hand van een soort dagboek van een getuige, een vrouw die nu een bejaarde succesvolle misdaadschrijfster is. Een trip waarbij heden en verleden constant over elkander lopen te struikelen is dan het gevolg (het heeft daardoor wat van Robert Goddards Hand In Glove), en het is dan natuurlijk meegenomen dat ook de centrale held op die manier de nodige confrontaties met een pijnlijk verleden mag ondergaan (zie ook: City Of Bones van Michael Connelly, de Amerikaanse schrijver die Robinsons roman onder de superlatieven mag bedelven). Ondanks het switchen in de tekst, is het boek geschreven met een indrukwekkende schwung en komen de personages voldoende tot leven om de aandacht erbij te houden. Niets nieuws onder de zon dus, maar wel een geslaagde kennismaking met een kwaliteitsschrijver. Aanrader voor degenen de het Ulysses-stadium intussen wel achter zich gelaten hebben. (****)

(100407): Dimitri Verhulst – De helaasheid der dingen. Ook gelezen, en deze keer helemaal gratis, want van de geweldige Hoofdstedelijke Openbare Bibliotheek: De helaasheid der dingen (2006) van Gouden Uil-publieksfavoriet Dimitri Verhulst, die ook in mijn omgeving (een nog veel overtuigender argument!) op de nodige lofbetuigingen mocht rekeningen. Ik had al van Verhulst gehoord, over hem gelezen, had hem ooit zelfs eens zien opdraven in dat vreemde laatavondprogramma De laatste show en had vaagweg een idee over wat het boek ging (nestbevuiling), maar ik vermoedde dat er achter al dat geleuter de zoveelste promostunt schuil ging omdat er eindelijk eens een Vlaming gevonden werd die niet meteen teruggestuurd werd naar de kleuterschool zodra zijn/haar werk naast dat van buitenlandse generatiegenoten werd gelegd. Ik was dus bevooroordeeld, want ik heb wel degelijk “genoten” (bij gebrek aan beter) van het boek, een soortement autobiografie waarin Dimmetrie terugkeert naar het als Reetverdegem vermomde Nieuwerkerken bij Aalst, een Vlaams gat zoals er dozijnen terug te vinden zijn tussen Dilsen en Diksmuide. Natuurlijk kan een gat ook z’n charmes hebben, en alhoewel dat misschien wat vrijgevig is in het geval van Reetveerdegem, gaat het alleszins om een kleurrijke familiekroniek.

De jonge Dimmetrie groeide op tussen zijn grootmoeder, vader en nonkels, drie brallende, gnuivende, reetschartende nietsnutten die zingeving verwarren met heelder dagen pinten pakken en protjes laten en de jonge Dimmetrie het ene vieze volkslied na het andere aanleren. Het boek begint als de kleine nog een snotneus is die het bier nog moet ontdekken, en eindigt als de huidige schrijver nog eens terugkeert. Het begin en het einde van het boek maakten ook het meeste indruk. Verhulst schrijft bij momenten geweldig Vlaams: expressief, authentiek, soms getuigend van pure poëzie. Wat hij vertelt is vaak platvloers, maar zijn taal blijft bruisend volks zonder te verwateren tot het soort schetenproza dat Brusselmans’ boeken soms kenmerkt. In dat opzicht is de spirit van Verhulst soms eerder te zoeken bij L.P. Boon en zijn stijl nu en dan zo krachtig als die van J.M.H. Berckmans (als die zichzelf onder controle heeft). Onvergetelijk zijn de verhalen over de zatte dwergen in het café, de eigen interpretatie van de Tour de France (voor elke zoveel kilometer een pint, glas wijn of whiskey) en uiteindelijk, na zoveel jaar, de onafwendbare vervreemding als Verhulst met z’n eigen kleine terugkeert naar het gat waar hij werd grootgebracht. Op die manier is De helaasheid der dingen een boek geworden dat bij momenten ronduit hilarisch is, soms ontroerend, op het einde pijnlijk melancholisch (ten huize Boleuzia ook wel herkenbaar) en bijna constant intrigerend, omdat het plaatsneemt in een lange traditie van (al dan niet) liefdevolle afrekeningen waarbij het niet zoveel uitmaakt in welke mate er gefantaseerd werd, en toch moeiteloos overeind weet te blijven als een origineel werk. Koop (of leen) en lees dat boek en maak van die man een miljonair. (****)

 (100407) Robert Parker – Looking For Rachel Wallace. Tenslotte nr. 3 van deze week: Looking For Rachel Wallace (1980) van Robert B. Parker, gezegend met een schoon roze kleurtje en een wijverige titel, maar verre van een janettenboek. Integendeel. Als er één schrijver is wiens boeken geschreven zijn om geconsumeerd te worden in de zetel met een sixpack binnen handbereik, dan is het wel Parker. OK, voor de goede verstaander, dat geldt ook voor de boeken van Kristien Hemmerechts, maar die doen dan weer meer deugd als voeten- en/of elleboogsteun. Ik heb Parkers boeken een jaar of tien geleden ontdekt toen één ervan me werd aangesmeerd door een zekere meneer Geraerts uit Linden (bij Leuven), een kerel die, hoewel hij gespecialiseerd was in taalkunde, veel meer boeiende dingen te vertellen had over muziek en boeken, onderwerpen die een cultuurbarbaar als mij tot op de dag van vandaag meer weten te boeien dan generatieve grammatica en andere uit de hand gelopen grappen.

Om het kort te houden: Parker schrijft zo’n beetje de moderne versies van de hard-boiled misdaadromans van Chandler en Hammett uit lang vervlogen tijden. De verschillen: stilistisch minder geobsedeerd, luchtiger, grappiger. Spenser (die hier voor de zesde keer opduikt) is niet enkel de meest gevatte private eye ter wereld, maar ook nog eens de stoerste, de knapste én de slimste. Parker bewandelt steevast de grens van het coole en het cartooneske, beperkt zich tot redelijk eenvoudige verhaalstructuren (z’n boekjes zitten meestal tussen de 200 en 300 pagina’s, en de lettertjes zijn niet bijzonder klein) die doorgaans samen te vatten zijn in één alinea, maar dat ene personage – een ex-bokser die in elk boek wel met een paar handige recepten uitpakt, vlotjes zestiende eeuwse poëzie uit de mouw schudt en de voluptueuze dellen van z’n lijf – maakt alles goed. Hier dus geen lijdende helden die in de knoop zitten met zichzelf en hun omgeving (al is er ook een deel (de titel ontglipt me) waarin Spenser bijna fatale verwondingen oploopt), maar een bad-ass motherfucker die niet vies is van een patat op hun mulle meer of minder. Looking For Rachel Wallace is vintage Parker, niet meer en niet minder (alhoewel het aanwenden van een thema als feminisme een grappige bonus is), wat betekent dat het boekje garant staat voor veel lullig gegrijns en nu en dan een ontglippende schaterlach (het overkomt de besten). Zowel geschikt voor hen die een fijn verhaaltje willen lezen (moi) als degenen die al de leutige verwijzingen en grapjes zullen begrijpen (dat bent u dus). Ook interessant: The Spensarium, een site (al een paar jaar redelijk dood) die in het teken staat van verwijzingen in en analyses van Parkers boeken (intussen al een paar dozijn; boeken, geen verwijzingen). (****) Twaalf sterren de voorbije week, hoezee!

(100407) The Passion Of The Christ.

Doorgaans moet ik thuis zelf voor de humor zorgen (The Omen was ideaal voor kerstavond!), maar soms wordt een mens al eens een handje geholpen. Zo viel aan de vooravond van Pasen Mel Gibsons gore interpretatie van het paasverhaal te bewonderen op tv. Opnieuw: ik had al gehoord en gelezen over de film, en kende zijn niet te benijden reputatie. Anderzijds had ik gehoord welk gepeupel op de achterpootjes was gaan staan bij de release van de film, het soort volk dat ik graag op de achterpootjes zie staan: van een fascistoïde maatschappij dromende gelovigen, Farizeeërs, rightwing fanatics en andere hoogstpersoonlijk door God uitverkoren muilemannen. En wat bleek? The Passion Of The Christ (2004), ofte “de laatste 12 uur van Jezus, maar dan zonder de saaie stukken”, bleek inderdaad een bijzondere film te zijn. Ik spreek me niet uit over de historische accuraatheid (voor zover dat al kan), aan welke bijbelversie het verhaal ontleend is, en of Gibson al dan niet een loopje heeft genomen met de werkelijkheid van een of andere versie of interpretatie, maar ik kon me vaag nog wel een aantal dingen herinneren uit de godsdienstlessen: de gevangenname, het schijnproces, de mensonterende folteringen.

En dat laatste is nu net dat zo breed als maar kon werd uitgesmeerd in de film. Er zijn een aantal flashbacks naar onbezorgde dagen en het laatste avondmaal, die ook in relatieve rust werd doorgebracht (wel goed dat die gewoonte dat de gastheer de voeten van zijn gasten wast niet meer bestaat), maar het overgrote deel van de film gaat over the suffering of the christ. De man lijkt aanvankelijk aan zijn lot te kunnen ontsnappen, maar als Pontius Pilatus het uiteindelijk onder de druk begeeft (en daarna nog eens) is het hek van de dam en beginnen pervers grijnzende Romeinen de messias een afranseling te verkopen die daadwerkelijk behoort tot een van de meest gruwelijke scènes die ik ook in een film zag. Net als zovelen ben ik intussen in zo’n mate geconditioneerd dat weinig dingen op het scherm me nog verbazen, laat staan raken (ik betreur het zelf ook), maar de haast oneindige martelsessie van bijna hypnotische proporties werd in beeld gebracht op een pijnlijk effectieve manier. Toen er werd overgestapt van een ‘klassieke’ gesel naar een soort zweep met ijzeren weerhaakjes leek het zelfs op een verborgen fantasie van de Cenobites. En die marteling was slechts het begin, want Jezus werd dan ook nog eens verplicht een kruis bergop te dragen en om uiteindelijke nagels door handen en voeten geramd te krijgen. Het markante is dat Gibson hier werd bijgestaan door een ploeg die al deze taferelen op een kunstzinnige manier benaderden. Net zoals artiesten door de eeuwen heen het lijden van Christus gebruikt hebben in hun werk (werk dat esthetische doelen nastreef), net zoals pakweg Leni Riefenstahl de lelijke efficiëntie van de Nazi oorlogsmachine op zo’n manier wist vast te leggen dat je enkel in bewondering kon toekijken, zo ook bevat The Passion Of The Christ beelden die, een beetje als in Girl With A Pearl Earring, geboetseerd of geschilderd lijken door kunstenaars die werken met bombastische, barokke ideeën en een obsessie voor het vlees niet kunnen wegsteken. De beelden die je ziet aan het einde van de foltering, als Jezus halfdood in z’n eigen bloed ligt te creperen, zijn pure visuele poëzie, hoe ziek het idee ook is. Daarom alleen al is deze film het waard om gezien te worden. Acteur Jim Caviezel moet in principe niet meer doen dan kreunen, loensen vanonder een half dichtgeslagen oog en amper verstaanbare vergevingsgezinde woorden murmelen, maar de film draait dan ook niet om acteerprestaties (die wel goed zijn), noch om het verhaal, maar om beelden. Op die manier voel je je aan het einde van de rit wat tekort gedaan, maar de lillende homp vlees die Jezus heet is nog wel nog een tijdje op het netvlies blijven plakken. Effectief was het dus. (***1/2)

Advertenties

Read Full Post »

%d bloggers liken dit: