Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for mei, 2007

mei 2007

(010507) 1 mei begot.

Of het te maken heeft met het feit dat ik de dertig intussen al ruimschoots gepasseerd ben, met een algemene malaise of gewoonweg een minder jaar (zoek het vooral niet te ver, kameraad), het is een feit dat ik er de laatste tijd niet al te goed in slaag de dingen te combineren. Veel het hoofd buitensteken betekent onvermijdelijk dat andere dingen, zoals dit blogding hier, daaronder lijden. In m’n zorgenloze adolescentenjaren waren er blijkbaar geen limieten (of zoals Henry Rollins het verwoordde “You want me to go pick apples in Albania and the next day be in Seattle for a gig? YEAH!”), maar nu ben ik op zo’n punt gekomen dat ik me bepaalde dingen (concerten vooral) moet ontzeggen als ik heelhuids het einde van de week wil halen. Dat bloggen is wat minder inspannend, maar als ik een paar dagen na mekaar in concertzalen heb rondgehangen, dan staat m’n kop gewoonweg niet naar geleuter spuien.

dannydustyAnyway, sinds de laatste update dus wel nog een aantal optredens gezien: op 10 april bvb. naar de AB gegaan voor Danny & Dusty, AKA Dan Stuart (Green On Red) en Steve Wynn, met band. In 1985 verscheen The Lost Weekend, een samenwerking van de twee waarop ze werden bijgestaan door volk van hun eigen bands (al was Wynns The Dream Syndicate eigenlijk zo goed als ontbonden) en The Long Ryders, allemaal volk uit een scene die wel eens de Paisley Underground werd genoemd, een resem artiesten met een voorkeur voor gitaarfeedback, jangle rock en rootsmuziek in het verlengde van wat The Velvet Underground en/of The Byrds eerder deden. The Lost Weekend werd opgenamon tijdens een weekendje zuipen en mag beschouwd worden als een essentiele schakel in de ontwikkeling van de alt country, omdat het een van de eerste keren was dat een tegen de punk aanleunende esthethiek gekoppeld werd aan rootsmuziek. De plaat was nonchalant, slordig, doordrenkt van alcohol en toogromantiek, en de ideale soundtrack bij nachtbrakerij. Onlangs, 22 jaar later verscheen ineens Cast Iron Soul, waarop de betrokken heren het nog eens overdoen, en live zouden ze dat voor het eerst doen in de Brusselse AB. In eerste instantie was ik eerder teleurgesteld door het optreden, waarschijnlijk omdat ik er gewoon teveel van verwachtte. Het is nu eenmaal niet fair om deze soms haperende machine te vergelijken met de geoliede pletwals die Wynn met zijn eigen band The Miracle 3 is. De songs uit The Lost Weekend leken sterker dan het nieuwe materiaal, en vooral halverwege de set was er een aardige inzinking, iets dat gelukkig nog werd rechtgezet. Meer uitleg hier en met iets meer enthousiasme op de blog van Frank. (foto: Evy Ottermans) 

Op 14 april dan naar de Tongerse Velinx getrokken voor het jaarlijkse Viva Velinx-festival. Die Velinx straalt nog altijd even veel rock-‘n-roll uit als een muisgrijze Seat Ibiza en is een zaal die vooral geschikt is voor grote theaterproducties en designinstallaties, maar het is er tenminste proper en er is nooit plaatsgebrek. In de grote zaal waren twee podia opgesteld, waardoor de concerten (zeven in totaal) elkaar snel opvolgden. Net als altijd leek de affiche bij een eerste aanblik op een incoherent zootje, iets dat ook na zorgvuldiger bekijken nog het geval was. Maar dat is OK. Ik ben al jaren geen fan meer van festivals die schrik hebben van diversiteit en experiment, die voorspelbaarheid en commercie hebben uitgeroepen tot hun favoriete deugden. Er is een reden waarom ik het hoerenkot van Schuermans in Werchter weiger te betreden. Er zijn er zelfs meerdere. In ieder geval, het is toch een interessante avond geworden. Chanteuses Laura Veirs en Jesse Sykes waren voor mijn part de hoogtepunten: Veirs omwille van haar tegendraadse songs, charmante meisjesachtige uitstraling en stem, en Sykes omwille van het mysterieuze, en de onvergelijkbare sfeer die constant een weg zit te zoeken tussen noir country en allerhande onderhuids onheil. En ook omdat ze in dat rood licht even een onwaarschijnlijk mooie vrouw was. Verder ook aangenaam verrast door pianoman Sioen, die een gespierde set neerzette, en bij momenten onder de indruk van het gestroomlijnde eclectiscisme van Absynthe Minded. Antwerpenaar Stijn vond ik dan weer minder (gelukkig vond het dat zelf niet), net als Fujiya & Miyagi, een drietal dat door de geschiedenis van de electro huppelde maar onderweg vergat karakter op te bouwen. Archie Bronson Outfit was degelijk, maar ik zag ze al beter. “Dart For My Sweetheart” blijft natuurlijk wel een motherfucker van een song. Verdienen tenslotte ook nog een vermelding: dat bezopen zootje Hollanders, dat met elk optreden irritanter begon te worden en er niet beter op vond dan alle artiesten tijdens de kalme momenten van hun set te overstemmen met hun gelal, gemuil en getetter. Volgend jaar een verbod voor Hollanders en groepen van meer dan zes man, graag. Ofwel een oogje dichtknijpen als de rest van het publiek hen bewerkt met bowlingballen en Stijns mopjes. Bedankt! Volgende keer mag het ook wel wat vroeger beginnen. Om 2u nog van Tongeren naar Brussel rijden is niet echt my idea of fun. Meer geleuter over Viva Velinx hier. danieljohnstonTwee dagen later naar de AB getrokken waar de intussen heilig verklaarde bipolaire Daniel Johnston aanbeden werd door een Box vol mooie jonge volgelingen. Maar eerst The Bony King Of Nowhere, oftewel het Vlaamse wonderkind Bram Vanparys, die het nu doet met Cleo Janse (zang, gitaar, piano), vijftig kilo charmante lentebloesem. Vanparys werd de laatste maanden zowat doodgeknuffeld door those in the know, wat hem al aardig wat interessante optredens opleverde en meer schouderklopjes dan hij zelf kan bijhouden. Het gaat dus snel voor de singer-songwriter, misschien zelfs te snel. Talent moet rijpen. Toch was z’n set deze keer sterk over de volledige lijn. De jongen heeft nog steeds het charisma van een krakkemikkige trapladder, maar beter zo dan geforceerd het publiek voor je proberen te winnen. De songs spraken immers voor zich en de kleine foutjes, verlegenheid en onhandigheden zijn zo vergeten. Als Vanparys de tijd krijgt om z’n ding te doen, dan komt hij ongetwijfeld nog op de proppen met een album van on-Vlaamse kwaliteit. Na The Bony King Of Nowhere, Gruff Rhys, beter bekend als voorman van de Super Furry Animals, een Welshe band die me om een of andere reden nooit lag. Ik verwachtte er dus niet veel van, maar Rhys bleek een bijzonder amusante entertainer, die traditioneel aandoende folksongs combineerde met experimenten, humor en een resem speelgoed. En dan Daniel Johnston, van wie weleens wordt beweerd dat hij een van de beste songschrijvers van zijn tijd is. Gevaarlijke uitspraken, maar het blijft natuurlijk wel iets dat amper te vergelijken valt met het werk van andere artiesten. Johnston weet niet (of amper) wat berekening is, hoe hij Muse moet imiteren, doet niet aan cool zijn, poses of andere overbodige bollocks, en pakt uit met naakte, breekbare, soms deprimerende en dan weer speelse liefdesliedjes en existentiele vraagstukken. Geen idee of dat toeval is of niet, maar de songs lijken soms een wijsheid te bevatten waar de meeste andere artiesten aan voorbij gaan. Het zijn doorgaans miniaturen over de grote thema’s – liefde, verlies, hoop, etc -, die altijd een universele lading dekken en vaak op maat van de luisteraar gemaakt lijken. Johnston bibberde en zong vals, maar bij momenten ging zijn muziek door merg en been. Meer daarover hier. 

Een dag later opnieuw naar de AB voor iets totaal anders: The Melvins, nu (The)Melvins. Wat al dat gedoe met haakjes te betekenen heeft, daar heb ik geen idee van, al vermoed ik dat het iets te maken heeft met de aanwerving van de twee van Big Business: Jaren Warren (bas/zang) en Coady Willis (drums, en ooit nog klopper van dienst bij de onterecht vergeten Murder City Devils, wiens R.I.P. een afscheidsconcert is dat in de platenkast van elke rockliefhebber thuishoort). The Melvins hebben altijd natuurlijk een reputatie hoog te houden wat personeelswissels betreft. Ze deden het eerder al met Lorax (nu in Acid King), Mark D, Joe Preston (Thrones, High On Fire, Earth, etc) en Kevin Rutmanis (The Cows) op bas, en nu zijn ze voor het eerst dus een kwartet. Wie nog meer moeilijkdoenerij verwachtte heeft het mis, want het recenste album, (a) Senile Animal, bevat samen met Stoner Witch zowat de meest toegankelijke muziek die de band ooit maakte. Het optreden was opgtebouwd rond die plaat en bij momenten een indrukwekkende tour de force. Geholpen door een geweldige sound en een enthousiast publiek beukte de band door de songs met een haast ongelooflijke kracht en strakheid. Willis en Crover drumden simultaan en in spiegelopstelling, en het leek wel alsof ze nooit anders gedaan hadden. Het was meteen ook een goede opwarming voor hun optreden op het Roadburn festival enkele dagen later. Meer.

 roadburn2008Het door Walter Hoeijmakers georganiseerde Roadburn festival is in de stoner- en doomwereld al jaren een vaste waarde. Op het forum van de populaire website stonerrock.com wordt het festival al jaren beschouwd als een hoogtepunt in het muziekjaar, met zelfs hopen buitenlanders die jaar na jaar afzakken naar Tilburg om zoveel favoriete bands bij elkaar te zien op een of twee dagen. De affiche van deze twaalfde editie leek al snel legendarische proporties te krijgen. Hoeijmakers en Co. Wisten niet enkel The Melvins te strikken, maar ook Neurosis, een band waarvan de invloed met de dag duidelijker wordt. Hippe bands als Red Sparowes, Cult Of Luna, Pelican en Amen Ra zouden eenvoudigweg niet zijn zoals ze zijn zonder Neurosis. Ze zouden misschien wel goeie muziek maken, maar het zou anders klinken. Wat Neurosis begin jaren negentig deed op Souls At Zero en Enemy Of The Sun, zou pas een klein decennium later ten volle geapprecieerd worden. Het straffe is dat er (mijns inziens) nog geen enkele band geweest is met zo’n immense impact. Zoals ik een veertigtal keer heb herhaald in m’n extatisch verslag heb ik zo’n vertoning zelden meegemaakt. Ik kan best begrijpen dat het ‘too much’ is, zoals m’n metgezel zei, maar anderzijds is het verbijsterend dat er een band is die nog zo ver kan en wil gaan. In maagdelijke oren klinkt Neurosis waarschijnlijk als het einde der tijden. Dat doet het ook in getrainde oren, al zullen die daar op een perverse manier blij om zijn. Roadburn was een heel aangenaam festival. Het is een cliche dat het er in stonermiddens altijd zo laidback aan toe gaat (al dan niet door de drugconsumptie), maar er heerste effectief een heel gemoedelijke sfeer. Zelfs tijdens de optredens van Amen Ra, Black Cobra en Neurosis, die toch agressieve muziek maken die heethoofden zou kunnen aanzetten tot allerhande rotzooi, ging het er vriendelijk aan toe. Op z’n Limburgs. Leuk meegenomen: het was duidelijk dat dit festival voor de overgrote meerderheid nog steeds om muziek draait. Naar Roadburn ga je dus niet “voor de sfeer” (*ril*), maar om achterover geklopt te worden door bands die live meestal nog een pak beter zijn dan op CD, en er allemaal om dezelfde reden zijn. De oudjes van Blue Cheer stonden er een tam showtje af te haspelen, maar voor de rest zagen we enkel bands die van jetje wilden geven, hun beste beentje voorzetten en daardoor ook het nodige enthousiasme oogstten. Een succes dus. Volgend jaar vier dagen.

De downside van zo’n festival is dan weer dat het z’n tol eist op je lichaam. Bij heel wat optredens stonden we op de eerste rij, en vaak zonder oorstopjes, wat ervoor zorgde dat ik zondag toch doorbracht in het gezelschap van luide suizingen. Om het allemaal nog wat erger te maken speelden we met de band in Luik in het gezelschap van kabaalbands als Ultraphallus en Blutch, en twee bands die op het Roadburn-festival speelden: Black Cobra en Acid King. Allemaal goed verlopen, leuke babbels, nog betere optredens, en maandag zo goed als doof. Goed bezig. En het einde was nog niet in zicht, want zaterdag vond de CD-voorstelling plaats van de split-CD die we opnamen met de rakkers van Pablo Diablo (opnieuw een fijne avond met veel onzin en luide muziek), en zondag trokken we naar de Brugse Magdalenazaal om te gaan kijken naar Howe Gelb en het Voices Of Praise Gospel Choir. De plaat die ze vorig jaar samen uitbrachten stond op #3 in m’n Top 20 van vorig jaar, dus deze keer zou ik het niet missen. Net als op ‘Sno Angel Like You ging het er in Brugge heel laidback en gemoedelijk aan toe. Het zeskoppige koor kweet zich perfect van z’n taak, zorgde voor een goede begeleiding en wist de ietwat klinische zaal soms zelfs om te toveren tot een kerk vol religieuze extase. Geen geweldig optreden – de hoogtepunten van dit jaar zijn nog steeds Neurosis, Zu en Elliott Murphy -, maar wel een erg sterk. Verslagje. Nu wordt er gerust en donderdag terug naar de AB voor Los Lobos. Ter voorbereiding nog wat geluisterd naar Good Morning Aztlan en Kiko. Die eerste is goed, maar die tweede is een all-time classic wat mij betreft. brookmyreIntussen ook nog wat gelezen: van een uitstap naar Londen eens All Fun And Games Until Somebody Loses An Eye (2005) van Christopher Brookmyre meegebracht. Aan de stapels boeken te zien moet Brookmyre een held zijn in z’n land, en dat is eigenlijk best te begrijpen. Het is immers een bijzonder flukse, slim in elkaar gestoken roman met een gezonde combinatie van humor en actie, pulp en literatuur. De uitgerekte proloog was aanvankelijk wat verwarrend, waardoor het meer dan vijftig pagina’s duurde voor het verhaal op gang kwam, maar daarna schoot het adrenalinepeil de hoogte. Het boek is een beetje de literaire tegenhanger van de hi-tech-toestanden van James Bond, La Femme Nikita en Alias. Jane Fleming is een fortysomething wiens leven eigenlijk al een hele tijd geleden eindigde. Kinderen het huis uit, geen hobby’s, jeugdige rebellie opgegeven voor een huwelijk met een patattenzak wiens leven draait rond voetbal en TV. Dan wordt het verhaal natuurlijk opengetrokken, als de zoon van Fleming, die tewerkgesteld is in de wapenindustrie, wordt ontvoerd omdat hij kennis zou hebben van iets dat miljarden waard zou zijn. Per ongeluk wordt Fleming betrokken in de spiraal van geweld, en wat blijkt? Ze is ervoor geboren en slaagt erin op recordtempo opgeleid te worden tot vechtmachine/spion. Allemaal bij de haren gesleepte onzin, maar door clevere koerswijzigingen, al dan niet verdoken verwijzingen naar voorgangers uit film en literatuur en bakken typisch Britse wittiness, blijft All Fun And Games… boeiend tot vierhonderdste pagina. (***1/2) stonecoldOok gelezen: Stone Cold (2003) van de immer betrouwbare Robert B. Parker, de Amerikaanse Pieter Aspe: hij schijt boeken aan de lopende band, ze worden verkocht per palet en druk verfilmd. Het verschil: zijn boeken zijn goed. De Spenser-reeks (een kleine dertig romans met P.I. Spenser als held) is intussen uitgegroeid tot een klassieke reeks in de Amerikaanse crime literature. Stone Cold is er eentje uit de Jesse Stone-reeks, die Parker wel gestart zal zijn om even te ontsnappen aan de beperkingen van de Spenser-romans. Met Jesse Stone heeft Parker niet enkel gezorgd voor een politie-inspecteur i.p.v. een detective, maar de toon van het boek is ook anders dan die van zijn populairste reeks. De Spenser-reeks kent ondanks z’n donkere momenten immers een luchtiger toon, met veel humor en een hoofdpersonage dat bijna cartoonesk is, zo rechtlijnig, standvastig, trouw aan een geliefde, etc. Niet hier: Stone is een alcoholicus die in behandeling is bij een psychiater omdat hij z’n scheiding niet kan verwerken, intussen aan veelwijverij doet en moreel ambigu is. Als een vrouw met wie hij een paar uur ervoor nog in bed lag wordt vermoord, dan laat hem dat schijnbaar koud. In deze roman is Stone de korpschef in een stadje waar een koppel seriemoordenaars toeslaat dat het uiteindelijk op hem gemunt heeft. Opnieuw vintage Parker, maar deze keer dus iets donkerder. (****)

 fournierDNOTDEen boek dat ik nog geen half uur nadat ik hoorde van het verschijnen ervan had besteld: Double Nickels On The Dime (2007) van Michael T. Fournier. Het is het vijfenveertigste deel in de 33 1/3-reeks van Continuum, een verzameling boeken over klassieke albums. Andere delen gaan o.m. over Forever Changes (Love), Harvest (Neil Young), Led Zeppelin IV, Grace (Jeff Buckley), Trout Mask Replica (Captain Beefheart), Daydream Nation (Sonic Youth) en Highway 61 (Dylan). Het gaat niet enkel om de platen die al decennia bekend staan als rockklassiekers, maar ook om recentere  indie classcis (Loveless, In An Aeroplane Over The Sea, Bee Thousand). Ik zou ze natuurlijk allemal willen hebben en lezen. Natuurlijk is er een hierarchie, en als er een boek verschijnt over een van je favoriete platen, dan wil je dat natuurlijk hebben. Het is een mini-paperback, 106 pagina’s in pocketformaat, maar Fournier heeft wel gezorgd voor een prachtresultaat. Hij heeft niet enkel heel wat mensen die betrokken waren bij het maken van de plaat weten op te sporen, maar de volledige medewerking gekregen van Mike Wat, bassist/zanger van The Minutemen, die verder bestond uit D. Boon (zang/gitaar) en George Hurley (drummer). Niet alles wat de band maakte was even goed, maar op hun piek, op deze dubbelaar Double Nickles On The Dime is zoveel creativiteit terug te vinden dat je die als fervent luisteraar na tien jaar nog altijd niet helemaal verwerkt hebt. Het leuke aan de Continuum-reeks, is dat de auteurs mogen doen wat ze willen, waardoor de meeste delen een heel persoonlijke aanpak garanderen. Ook hier gaat Fournier uitgebreid in op hoe hij de plaat leerde kennen, wat ze voor hem betekende, en wat de hoogtepunten zijn. Het leuke is dat hij heel wat onbekende of minder bekende informatie over de plaat heeft weten te verzamelen en deze vertelt door de plaat song per song of te gaan. Yep, bijna vier dozijn songs worden besproken. Hij slaagt er goed in om de muziek en invloeden te beschrijven, en geeft informatie die het album enkel intrigerender maakt. Ik wist bijvoorbeeld al dat er oorspronkelijk sprake was van een enkele LP, maar dat de band terug in gang schoot toen ze hoorden dat labelgenoten Husker Du een dubbelaar hadden klaarstaan. Enkele weken later hadden ook The Minutemen een dubbelaar klaar. Ik wist ook dat de hoes een inside joke en verwijzing was naar Sammy Hagar’s “Can’t Drive Fifty-Five.” Maar ik wist bijvoorbeeld niet dat elke lid van de band z’n eigen albumkant had, en de vierde kant het restmateriaal bevatte (dan klopt het plots dat het laatste kwart het minst sterk is). Elk lid van de band koos om beurt een song, en al die persoonlijke voorkeuren werden op een albumhelft gezet, die ook steeds een solosong bevatte. Wat ik totaal niet wist, is dat Watt zich voor een hoop van z’n songs had laten inspireren door Ulysses van Joyce, en boek dat hij net had gelezen. En zo slaagt Fournier erin een hele hoop inside jokes en thema’s (semantiek, politiek, etc) bloot te leggen of je te wijzen op dingen die je als luisteraar eigenlijk ook zelf had kunnen uitdokteren. Een geweldige ervaring dus, om als bescheiden fan zo in de watten gelegd te worden. Aanrader voor iedereen die de plaat in huis heeft (en ‘m ook geregeld opzet). (****) mishimaVers herlezen: Bekentenissen van een gemaskerde (Kamen no kokuhaku) van Yukio Mishima, de legendarische Japanse schrijver (die vooral bekend werd door z’m behoorlijk spectaculair overlijden). Het is zijn eerste volwaardige roman, beeindigd toen hij amper 23 was (in 1948), en meteen een soortement autobiografie. De meeste feiten (opgroeien onder het bewind van zijn grootmoeder, de jaartallen, etc) komen perfect overeen met het leven van Mishima. Ook aanwezig: thema’s die zijn hele leven zouden blijven terugkeren: homosexualiteit en zijn obsessie met de dood. Hij schrijft zichzelf als peuter inzichten en eigenschappen toe die wat over het paard getild zijn, maar voor de rest is het een onverbloemde analyse van ontluikende homo-erotiek. Het eerste deel gaaa in op de kinderjaren, toen Mishima enkel met vrouwen in contact kwam en reeds een fascinatie ontwikkelde voor uniformen, tragische sprookjeshelden en travestieten. Het tweede deel wordt gedomineerd door Omi, zijn grote liefde op school. Het derde deel, tenslotte, gaat over zijn relatie met de mooie Sonoko, die uiteindelijk spaak loopt door zijn homoseksualiteit. De oorlog is constant aanwezig in de achtergrond, maar in het solipsistische wereldbeeld van Mishima draait alles rond hemzelf, en de eeuwige strijd tussen gedachten en werkelijkheid, en de manieren waarop hij een masker gebruikt om toch zijn rol in de maatschappij te kunnen vervullen. In vergelijking met het latere werk is Bekentenissen van een gemaskerde verrassend toegankelijk, terwijl de discipline die steeds dominter zou worden toch ook al aanwezig is. (***1/2) 

Intussen begonnen aan The Woman Who Walked Into Doors van Roddy Doyle. En dat is ’t zowat.

(030507) Roddy Doyle – The Woman Who Walked Into Doors. Broken nose. Loose teeth. Cracked ribs. Broken finger. Black eyes. I don’t know how many; I once had two at the same time, one fading, the other new. Shoulders, elbows, knees, wrists. Stitches in my mouth. Stitches on my chin. A ruptured eardrum. Burns. Cigarettes on my arms and legs. Thumped me, kicked me, pushed me, burned me. He butted me with his head. He held me still and butted me; I couldn’t believe it. He dragged me around the house by my clothes and by my hair. He kicked me up and he kicked me down the stairs. Bruised me, scalded me, threatened me. For seventeen years […]”The Woman Who Walked Into Doors van Roddy Doyle is geen lachertje. Dat in tegenstelling tot de Barrytown-trilogie waar hij een jaar of vijftien geleden naam mee maakte. Ik leerde ‘m, net als zoveel andere mensen, kennen via The Commitments. Ik was destijds (in 1992?) behoorlijk wild van de film (en een jaar geleden vond ik ‘m nog steeds uitstekend), en heb me dan het boek aangeschaft, zo’n kleine gele Rainbow-pocket. Een vertaling dus. Wist ik veel dat het nu ook niet zo veel moeite kost om het origineel te lezen. Doyle schreef over gewone mensen met grootse plannen, beschikte over tonnen humor, maar vooral: hij wist als geen ander dialogen te schrijven. Erna ook deel twee (The Van) en drie (The Snapper) aangeschaft, en opnieuw weg van dat sappige Ierse Engels, de verhalen over allerhande losers uit een arbeidersmilieu, en hun pogingen om er het beste van te maken. In dat opzicht vertoonde z’n boeken overeenkomsten met zowel de sociaal-realistische films van volk als Ken Loach en Mike Leigh, als een serie die ik de voorbije jaren enorm graag heb gekeken: Shameless. Het is makkelijk om met dat soort “volkse” literatuur te gaan zitten schrijven op een dierentuin-toontje (“ziet ze lopen, ziet ze zuipen, ziet ze marginaal wezen met hun afgeprijsde en/of nagemaakte merkkledij en hun zelfgerolde sigaretten”), maar Doyle schreef duidelijk over een wereld die hij kende, in- en uitademde. Na de Barrytown-trilogie heb ik me nog Paddy Clarke Ha Ha Ha (1993) aangeschaft, een boek dat zo mogelijk nog beter was dan de trilogie: serieuzer, maar ook gedurfder, en Doyle slaagde moeiteloos erin om te blijven boeien met een boek geschreven vanuit het perspectief van een tienjarige die de wereld rond hem probeert te begrijpen. Daarna ben ik Doyle (en zeker zijn boeken) een beetje uit het oog verloren, tot ik laatst een weekje doorbracht aan de andere kant van de Noordzee, en in een plaatselijke boekhandel The Woman Who Walked Into Doors (1996) in handen kreeg. Ik wist al dat de humor-factor in dit boek nog wat lager lag, niet verwonderlijk gezien het onderwerp (huiselijk geweld, zoals de titel al suggereert), maar ik had geen mokerslag van dit kaliber verwacht. Deze keer schrijft Doyle vanuit het perspectief van Paula Spencer, een negenendertigjarige kuisvrouw met vier kinderen en een drankprobleem, die op een ochtend te horen krijgt dat haar vent Charlo, die ze een jaar eerder het huis uitgooide, omgekomen is bij een misdaad. Tweehonderdtwintig pagina’s lang is zij aan het woord, en vertelt ze, verward, hortend en stotend, haar levensverhaal, en dan vooral haar huwelijk met Charlo, dat zo idyllisch begon als maar kon in hun lagere klasse-milieu, maar voor haar al snel uitdraaide op een nachtmerrie van zeventien jaar. Jaja, ook ik dacht dat dit eigenlijk even goed de “literaire” tegenhanger had kunnen zijn van het soort weekendfilm dat één vroeger (toen het nog BRT 1 heette) programmeerde op zaterdagavond (moeders ter lande joegen de mouchoirkes er met de dozen door), maar niets van dat. The Woman Who Walked Into Doors is een pure taalexplosie, een rauw-emotionele ontlading die hier en daar wat heeft van Chris Cleave’s Incendiary, maar veel beter gedoseerd is. Het maakt niet uit dat het Engels van Spencer vaak slordig is, dat ze zichzelf constant herhaalt, dat ze zo goed is in chaos. Het lijkt alsof het ritme en het register zich door het hele boek aanpast aan de gemoedstoestand, of de al dan niet nuchtere buien van de vrouw. Sommige hoofdstukken zijn rommelig en kort, andere zijn lucide en gestructureerd, en geven een inzicht op de tastbare en emotionele leefwereld van een vrouw wiens tanden en gevoel voor eigenwaarde er jaar na jaar uit werden geklopt. Ook geen all is well that ends well-verhaaltje dus, omdat Spencer, net als haar collega-slachtoffers, terechtkomt in een positie waar amper uit te ontsnappen valt, en het gewicht van het schuldgevoel constant met zich meedraagt: He beat me brainless and I felt guilty. He left me without money and I was guilty. I wouldn’t let the kids in the kitchen after teatime, I couldn’t let them near the cornflakes – and I was to blame. They went wild, they went hungry and It was my fault. I couldn’t think. I could invent a family meal with an egg and four slices of stale bread but I couldn’t think properly. I couldn’t put a shape on anything. I kept falling apart.” Uiteindelijk slaagt ze er toch in om de geweldenaar het huis uit te krijgen, maar ook dat gebeurt natuurlijk niet zonder slag of stoot. Het boek had ondraaglijk hard en wrang kunnen zijn, maar dat was buiten de intelligentie van Doyle gerekend, die ook hier de nodige humor aanwendt om de lezer toch even het geweld te besparen. Het is een beetje een lullig, kapotgebruikt en hol woord geworden, maar The Woman Who Walked Into Doors is een aangrijpende roman geworden, menselijk en ontroerend, vol spijt, woede en onmacht, maar vooral ook de drang tot beterschap. Machtig. (****1/2)

(030507) Die donderdagavond in de AB – Los Lobos. Ze hebben nooit een slechte, of zelfs een mindere plaat gemaakt (een van de meest consistente oeuvres van de laatste 25 jaar als je ’t mij vraagt), maakten met How Will The Wolf Survive een klassieker van de moderne rootsmuziek, met La Pistola y El Corazon de soundtrack voor elk zomers feestje, met Kiko een van de beste platen van de jaren negentig. Alleen maar supermuzikanten, met een live-reputatie van hier tot Tokyo, en beyond. Zijn dat genoeg argumenten om naar Los Lobos te gaan kijken? Ik dacht het ook.(040507) Los Lobos, AB – 03/05/07.

Dat ze goed waren, verdomme! Ik verwachtte eigenlijk dat het zou draaien om de recentste plaat, The Town And The City, maar niets van dat. Welgeteld één nummer werd eruit gehaald (“Chuco’s Cumbia”), en voor de rest was het een parcours door een oeuvre van vijfentwintig jaar. Zeventien songs: twee covers (“Mexico Americano” en “My Generation”) en vijftien eigen songs, die gepikt werden uit een tiental albums. De sfeer zat erin, er werd gespeeld met de brede glimlach, het publiek was enthousiast, etc. En drie nummers uit Kiko. Ik weiger te klagen.

Setlist: 1. las amarillas (la pistola y el corazon), 2. la pistola y el corazon (la pistola y el corazon), 3. saint behind the glass (kiko), 4. chuco’s cumbia (the town and the city), 5. dream in blue (kiko), 6. luz de mi vida (good morning aztlan), 7. is this all there is? (by the light of the moon), 8. chains of love (the ride), 9. don’t worry baby (how will the wolf survive), 10. kiko and the lavender moon (kiko), 11. let’s say goodnight (…and a time to dance), 12. si yo quisiera (niet helemaal zeker) (la pistola y el corazon), 13. mexico americano (acoustic en vivo), 14. cumbia raza (this time), 15. mas y mas (colossal head) // BIS: 16. i got loaded (how will the wolf survive), 17. my generation (cover)

Advertenties

Read Full Post »

%d bloggers liken dit: