Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for oktober, 2007

zo druk man ge weet wel hossen van hier naar daar van het ene concert naar het andere en tussendoor repeteren met de band wat lawaai gaan maken in het verre limburg met als resultaat een week waarbij ondergetekende ofwel aan het werk was ofwel in den otto zat ofwel naar muziek zat te luisteren of op een concert was (jim white ***1/2, i love sarah & god is an astronaut **) of in de trein zat te lezen maar daar is helaas niet de niet de tijd noch de ruimte om te gaan zitten bloggen ge komt wat tegen hé enfin ik heb een paar leuke boeken gelezen en wat  films gezien (animal **, everything is illuminated ***1/2, the contract **, who the fuck is jackson pollock? ****) en naar csi (***1/2) en the shield (****1/2) gekeken en voor de rest eigenlijk weinig boeiends te vertellen maar mezelf kennende zal ik er toch wel weer in slagen om een paar schermen vol te leuteren en me achteraf weer afvragen wie in godsnaam iets heeft aan dat gezever enfin ja verwacht deze week maar een patat van een update maar geniet vooral van het verlengde weekend dan zal ik morgen genieten van de geweldige chili con carne (*****) die vanmiddag gemaakt werd ten huize boleuzia en die na een nachtje trekken zal zorgen voor de nodige gortige taferelen komt dat zien

NP: Baroness – Red Album

(* smeer me geen cursus time management aan meneer)

Advertenties

Read Full Post »

Kom wokken!

Vanavond! In de Hasseltse Muziekodroom om 20u! Met ondergetekende in een bijrol! Gratwie! 

“Blitzkrieg uit Genk. Raw power uit de cité. De decibelterroristen van Mr Mama maken aan hardrock verwante stonerrock waarin Peter Pan Speedrock en Motörhead op de vuist gaan. Subtiliteit wordt weggejaagd, nuance is een vies woord en wie over Britney Spears komt zagen mag een vuist op zijn bakkes verwachten. Gasten naar ons hart!
Patrick, drummer van The Killbots, beroert ook hier de vellen. Op gitaar Mr 1000 bands: Roel Paulussen, een levende legende uit Genk.

Muziekodroom en Alken-Maes doen er een schepje bovenop! Dankzij Cristal On The Rocks krijg je elke vrijdag tussen 20 en 21 uur – tijdens de Playconcerten – twee pinten voor de prijs van 1.”

Man het was een drukke week. Na vandaag wil ik even enkel bijslapen en lezen en zo.

Read Full Post »

dibdin.jpg

Deze kerel leek dan weer geboren om de pen te hanteren. Ik leerde Dibdin (nog niet zo lang geleden overleden)  kennen via een overijverige prof Nederlandse Taalkunde die me enkele van Dibdins Aurelio Zen-romans aansmeerde (net als boeken van Josef Skvorecky, Kinky Friedman en Robert B. Parker, dus God bless his soul). In die reeks, wat bij betreft één van de sterkste uit de Britse misdaadschrijverij, is de centrale held politiecommissaris Aurelio Zen, die in het door de mafia geregeerde Italië probeert af te rekenen met allerhande criminelen, met conventionele en minder conventionele methoden. De boeken (ik heb intussen Vendetta, Dead lagoon, A Long Finish en Blood Rain in huis gehaald) beantwoorden tot op zekere hoogte aan de reguliere ingrediëntenmix, maar hebben een exotisch kantje en ook wel een stilistische bekommernis die soms meer verwantschappen vertoont met de Amerikaanse traditie.  

Dat is ook net waarom ik doorgaans de misdaadliteratuur van de andere kant van the Atlantic verkies boven de Engelse. Terwijl die laatste ideaal voor is voor liefhebbers whodunits op het puntje van de stoel, en regelmatig een sterkere obsessie met psychologie en (maatschappelijke) klasse aan de dag legt, is die eerste wat meer bekommerd om taal en stijl, waardoor je de indruk krijgt (en misschien is het ook alleen dat) net dat ietsje meer op je bord te krijgen dan een slim in mekaar gestoken verhaal met genoeg twists & turns om de vergelijking met de formatiebesprekingen te kunnen doorstaan. Hoog tijd voor een misdaadroman met de splitsing van de kieskring als décor! Ik zie het al voor me: kopstukken van de betrokken partijen die simultaan van de aardbodem verdwijnen, Wetstraat- en andere journalisten die meteen beloven er een boek over te zullen schrijven, persverslagen die onder de noemer “krantennovelle” het volk tot lezen aanzetten, talkshows die bij gebrek aan expertenmeningen Jan Modaal aan het woord laten. En Jan Modaal? Die vraagt of het stilaan niet etenstijd is. Ah, de macht van de verbeelding. 

Het grappige is dat deze lekker weghappende misdaadroman niet enkel past in de oer-Britse traditie, maar die zelfs te lijf gaat met een enthousiasme van een ongenadige pastiche. De titel mag dan wel (vermoed ik) verwijzen naar Dylan Thomas’ klassieke gedicht “Do Not Go Gentle Into That Good Night”, het boek is niet minder dan een dissectie van de stijl van Agatha Christie, de momma van de stiff upper lip-misdaadverhalen. Iedereen kent die klassieke formule wel: gooi een bende (bij voorkeur vooraanstaande) burgers (adellijke lieden, militairen, zakenlui, geestelijken, dandy’s, charlatans, en criminelen) samen in een afgelegen landhuis, wacht tot er eentje het hoekje wordt omgeleid (op de achtergrond zingt en kinderkoor “Tien kleine negers”) en begin dan op zoek te gaan naar wie de cunning mastermind achter dat alles is. Dibdin lijkt aanvankelijk volledig mee te willen gaan, gezien deze tot in de puntjes verzorgde introductie van de personages: 

“Tea had not yet been served, but the other guests had already gathered. Colonel Weatherby was installed in his usual chair by the fireplace, reading The Times. Some distance away the wealthy invalid Mrs. Hiram Hargreaves III, swathed in pullovers and blankets, was whiling away the time with a game of patience. At a table near the French windows giving on to the lawn, Charles Symes and Grace lebon were bent over a jigsaw puzzle, their heads almost touching. His back pointedly turned to the beauties of the landscape, Samuel Rosenstein stood muttering into the telephone in a gutteral undertone. Lady Belinda Scott sat rigidly uptight on the piano stool, her fingers lightly touching the keys, while in the corner Canon Purvey nodded over a book. Only George Channing, the corned beef millionaire, appeared to be missing.”

 Ik hoor u al denken: “Da’s fucking Cluedo, jong!” Uhuh. 

In één alinea wordt zowat alle benodige informatie meegegeven, en ja, de laatstgenoemde is op dat eigenste moment het slachtoffer van geweld dat hem ei zo na het leven kost. Niets echter wat het lijkt. Er is immers iets bijzonders aan de hand met het huis, het personeel én zijn bewoners, die niet zomaar toevallige gasten zijn. Daarenboven heeft Dibdin met het personage van besje Rosemary gezorgd voor een extra troef: zij is immers geobsedeerd door Britse misdaadverhalen en zal haar kennis dan ook toepassen op haar omgeving en allerlei mogelijke theorieën bedenken. Op die manier, door haar te betrekken bij het verhaal, en haar voor de komst van de politie-inspecteur zelfs aan te wijzen als de on scene-investigator zorgt Dibdin meteen voor een meta-element: Rosemary legt immers niet de geroutineerde aanpak bloot, maar wijst herhaaldelijk op het bestaan van misleidende motieven, onopgemerkte verdachtmakingen en steeds terugkerende valstrikken in een misdaadroman. Vanuit de roman legt ze dus de machinaties van de roman bloot.

Op die manier zorgt ze niet enkel voor een commentaarstem bij een verhaal dat voor enkelen fataal afloopt, maar ook voor toelichting bij het genre dat beladen is met motieven, conventies en clichés. Aangezien dit al snel duidelijk wordt, verliest het boek natuurlijk al snel van z’n (sowieso gefingeerde) authenticiteit, waardoor het waarschijnlijk minder in de smaak zal vallen bij de hardcore liefhebber van de “echte” verhalen. Anderzijds is het echter ook zo dat Dibdin het niet kan laten om enkele onverwachte twists (misschien een paar te veel) aan het verhaal toe te voegen, waardoor het toch blijft boeien tot het einde. Het is geen grote roman, geen overdonderend experiment, en geen volledige afrekening met de traditie waar het constant naar verwijst en op teert, maar The Dying Of The Light is wel een bijzonder amusante, tongue-in-cheek brok misdaadliteratuur die zichzelf en zijn onderwerp vooral niet te serieus neemt. (***1/2)

Michael Dibdin. The Dying Of The Light. Londen: Faber & Faber, 1993. 151 pag.

NP: Buckethead – Monsters And Robots

buckethead.jpg

Read Full Post »

thelau.jpg

Wie de songs van The Scene begin jaren negentig niet kende zat in een bunker of was in coma. “Blauw”, “Iedereen is van de wereld”, “Open”, “De schaduw van het kruis”, het waren songs die ondanks dat Nederlands toch nog geloofwaardigheid toegedicht kregen, niet in het minst omdat The Scene met Thé Lau ook een ijzersterke tekstschrijver in huis had. Die teksten lazen soms als gecondenseerde kortverhalen, en meer dan eens wist hij het een pak mooier te verwoorden dan vele literaire voorgangers. The Scene kon zelfs op de door grunge gedomineerde fuiven van 1991-’94, en jaren later is The Lau, samen met Meuris, De Leeuw, De Vos en enkele anderen (De Dijk, Spinvis, etc) het levende bewijs dat “rocken” in je moerstaal niet desastreus moet aflopen. 

Lau was al een veteraan toen hij eindelijk mocht proeven van het grote succes en zekeraan het einde van het decennium, toen hij de vijftig naderde, kon je niet meer spreken van een debutant. Toch duurde het tot z’n achtenveertigste voor hij daadwerkelijk de stap zette en koos voor de literatuur. De sterren van de hemel (2000) bevat zeven kortverhalen (of zes en een novelle, “Stella”) die, zoals de flap duidelijk maakt, de lezer introduceren in de uiteenlopende werelden van enkele  outsiders. Je kan dan meteen de opmerking maken of dat niet altijd het geval is. Lees er eens wat achterflappen op na. Romans en verhalen gaan altijd over misfits, verschoppelingen, helden in de marge, de onderbuik van de maatschappij. Het is nu eenmaal een interessanter perspectief. 

De sterren aan de hemel bevat een behoorlijke verscheidenheid aan verhalen, die misschien wel een zwak voor outcasts gemeen hebben, maar toch geschreven zijn vanuit soms radicaal verschillende invalshoeken. Een tiener vertelt hoe een mongool in een café belachelijk wordt gemaakt door een groepje opzichtige klanten (“De mongool”), het knechtje van een uit Zweden overgewaaide rockster licht de lezer in over z’n pseudo-religieuze missie (“Magnus”), een huurling vertrouwt op een niet-genoemde locatie z’n verhaal toe aan een cassetterecorder (“Sony San”), een vader vertelt z’n zoon in een brief over de affaire die hij ooit had met een circusartieste (“Charly Circus”). 

Helaas is deze regenboogaanpak geen garantie voor een bunder deugende verhalen. Het korte “Jazz” (cafépraat met het allure van literaire diepgang) is genietbaar, opener “De mongool” brengt de bundel veelbelovend op gang en “Magnus” is in al z’n verwarring best intrigerend, maar voor de rest valt er niet veel te rapen in deze verzameling verhalen. Vooral de langere krijgen af te rekenen met een onevenwicht tussen inhoud, vorm en stijl. “Sony San” is onsamenhangend, “Charly Circus” het slachtoffer van z’n al te grillige opbouw en “Stella” mocht een derde korter geweest zijn. Het lijkt alsof Lau zichzelf dwong de paden van het conventionele achter zich te laten om met alle macht te gaan zwelgen in halfgeslaagde experimenten. 

Dat zou allemaal geen probleem geweest zijn als zijn schrijverij het niveau van zijn songteksten zou halen, maar helaas. Lau zal in weinig mensen zijn meerdere moeten erkennen als het over treffende beelden in een drie minutenformaat  gaat, het doseren binnen een verhaal gaat hem duidelijk moeilijker af. De beknoptheid, de ijsbergaanpak laat hij voor wat ze is, om ze in te ruilen voor een overdadig taalgebruik, waarbij al te voor de hand liggende alliteraties, in alle richtingen geplooide nevenconstructies en beladen literaire motieven zorgen voor een gevoel van geletterde constipatie. Je voelt zo het geworstel, de manier waarop zinnen herschreven werden om ze toch maar om te vormen tot iets literairs. Het resultaat: onnatuurlijke bochtenwerk, uitsloverig proza, gebrek aan naturel. 

Intussen schreef Lau nog enkele boeken, dus misschien was De sterren aan de hemel slechts een aanzet tot, maar als dit z’n enige poging zou geweest zijn, dan zou z’n korte literaire experiment niet meer dan een voetnoot in ‘s mans verder indrukwekkende cv mogen zijn. (**) 

The Lau. De sterren van de hemel. Amsterdam: Vassallucci, 2000. 198 pag.

NP: Bettye LaVette – The Scene Of The Crime

bettyelavette.jpg

Read Full Post »

Een dag of twee geleden stond er in Metro, het gratis krantje samenvattingen dat in de stations ter lande wordt verspreid, een artikel over armoede in België op de voorpagina. Confronterende waarheid: één op zeven is arm. Het artikel bevatte een woordje uitleg over de maten en gewichten die ervoor gehanteerd worden (ca. 800+ euro voor een alleenstaande, 1700+ euro voor een gezin van twee volwassen en twee kinderen), ging beknopt in op de grote(re) armoede bij allochtonen, etc. Rechts onder het artikel, in een opvallend kadertje, stond er een poll. De vraag die gesteld werd: “Kent u iemand die arm is?” De lezer werd verzocht zijn antwoord kenbaar te maken via de website van de krant. 

Wie vindt zo’n debiele vraag uit? 

Als het de bedoeling was J(e)an(ne) met de pet ermee op zo’n manier ermee te confronteren dat iedereen wel een arme kent in zijn/haar omgeving (vandaag het resultaat: 27% kent geen arme), dan vraag ik me af of dat niet nog aanstootgevender kan. Enkel een paar naieve linkse studenten zouden er bvb. ook genoegen in scheppen om in Overijse, Brecht of Knokke aan de flanerende voorbijgangers te gaan vragen of ze een arme kennen. De realiteit onder ogen doen zien? Zou niemand erbij nagedacht hebben dat iemand zich wel eens op zijn pik getrapt zou kunnen voelen? Dat er ook armen zijn die Metro lezen? Of mensen die schrik hebben in die categorie terecht te komen? Dat zij plots gepromoveerd worden tot maatschappelijke curiositeit, iets voor een poll? Ik heb zeker vijf minuten (dezer dagen een eeuwigheid in deze maatschappij) m’n hoofd zitten breken over die vraag, maar m’n intellect schiet nog maar eens tekort.

Kent u iemand die rijk is (pakweg een dikke 2000 euro voor een alleenstaande en 5000 euro voor een gezin met twee kinderen)? Kent u iemand die de soundtrack van Dirty Dancing in huis heeft? En er zich niet voor schaamt, kent u die ook? Kent u een homo? Kent u er ook eentje die ’s zaterdags naar de gay bar trekt en z’n roede door een gat in de muur steekt om in handen te geven van de mooie jonge God met de volle lippen? Kent u iemand die stemt voor het Vlaams Belang? Echt? Kent u iemand die soms dronken achter het stuur zit? En de dronkelap die een kind heeft doodgereden, kent u die ook? In uw familie? Onder uw eigen dak? Kent u een arbeider, een prostituee, een roker of een illegaal? Kent u iemand met kanker, diabetes, AIDS, anorexia of een dikke nek? Kent u iemand die te veel zever verkoopt, in de weg loopt of een blog volleutert? En kent u in tijden waarbij de regeringsvorming wordt beheerst, belemmerd en geridiculiseerd door de splitsing van een fucking kieskring ook nog politici die armoede serieus willen aanpakken? Die er een prioriteit van willen maken? Kent u die? Komaan, zeg het eens! Kent u die?

Read Full Post »

PERFECT te begrijpen als je trein ANDERHALF UUR langer doet over een traject van normaal vijftig minuten.

EDIT: en zeker als je ’s middags ook nog eens een uur en twintig miunten mag aanschuiven in de MIVB-shop. Voor niks. 

Read Full Post »

billieholiday1.jpg

Er zijn heel wat artiesten wiens afgelegde traject boeiend genoeg was om er een boek over te schrijven. Er zijn zelfs heel wat albums die zo goed zijn, uit zoveel lagen samengesteld zijn, of zo’n sterkte impact hadden/hebben, dat ze er een boek over afdwingen. Er zijn echter niet zo heel veel songs die belangrijk genoeg zijn om het enige onderwerp te vormen van een boek. “Strange Fruit” is er zo eentje. Het is tevens een voorbeeld van een song die altijd verbonden zal blijven aan zangeres Billie Holiday, ook al schreef ze die song niet zelf en was hij, in tegenstelling tot wat ze zelf durfde beweren, evenmin voor haar geschreven. 

Zelfs tot op de dag van vandaag blijft de horror van “Strange Fruit” verschrikkelijk om te aanhoren, of zelfs om te lezen. 

Southern trees bear a strange fruit,

Blood on the leaves and blood at the root,

Black body swinging in the Southern breeze,

Strange fruit hanging from the poplar trees.

Pastoral scene of the gallant South,

The bulging eyes and the twisted mouth,

Scent of magnolia sweet and fresh,

And the sudden smell of burning flesh.

Here is a fruit for the crows to pluck,

For the rain to gather, for the wind to suck,

For the sun to rot, for a tree to drop,

Here is a strange and bitter crop.

Ik leerde de song kennen toen ik een dubbelaar van de Diapason d’Or-reeks had aangeschaft. Het bevatte vooral oudere opnames van de dan nog jonge Billie Holiday, en klassieke songs als “I Wished On The Moon”, het vlugge “What A Little Moonlight Can Do”, evergreen “Summertime”, “Fine And Mellow” (een van haar beste eigen songs), “Body And Soul” en nog een hele hoop greatness op een schijfje. Tot de dag van vandaag zijn die opnames uit de tweede helft van de jaren dertig ook mijn favorieten, meer nog dan de door zovelen zo bejubelde songs uit de latere Verve-periode. Tussen die swingende, toegankelijke en instant memorabele jazzsongs zat er echter eentje dat uit de toon viel, “Strange Fruit”. Het was een ballad, maar het was geen doorsnee jazz, geen blues, geen gospel. En die tekst. Over in de wind wiegende lichamen die werden opgehangen. Keiharde metaforen die ervoor zorgden dat “Strange Fruit” een van de meest radicale protestsongs van zijn tijd was. 

billieholday2.jpg

De song was hard en deprimerend, en zou decennia lang té gevoelig blijven. Tot op de dag van vandaag is het een song die veel (vooral zwarte) artiesten niet willen of kunnen opnemen of live performen. (*) Nochtans is het nummer, in tegenstelling tot latere aanklachten zoals bvb. “Mississippi Goddamn” van Nina Simone, eerder ingehouden. Dit is geen uitgespuwde verontwaardiging of koleirige roep om een betere, rechtvaardige wereld, maar een misselijkmakend plaatje op een presenteerblad. De intensiteit van Holidays originele versie (van 20 april 1939) is van de ingehouden, smeulende soort. De beeldspraak die wordt gebruikt is immers zo krachtig dat Holiday ook zonder veel poeha de geur van geroosterd vlees en het getik van vallende bloeddruppels kan oproepen. 

David Margolick schreef Strange Fruit: Billie Holiday, Café Society, And An Early Cry For Civil Rights omdat het nu eenmaal een van die songs is die niet aan kracht inboeten. De lynchings zijn intussen verleden tijd in de Verenigde Staten (het ging om meer dan 4.000 gevallen tussen 1889 en 1940), maar de context van racisme en haat blijft natuurlijk relevant. “Strange Fruit” is nog steeds wrang en confronterend. Of, in de woorden van pianist Mal Waldron, die Holiday begeleidde aan het einde van haar leven: “It’s like rubbing people’s noses in their own shit”. In Strange Fruit gaat Margolick in op het hele verhaal: de schrijver van de song (Abel Meeropol, een linkse, Joodse leerkracht en componist uit New York, onder het pseudoniem Lewis Allan), hoe het bij Billie Holiday terechtkwam, de club waar ze de song voor het eerst zong, hoe de ontvangst was bij publiek en pers, en wat het teweeg bracht. 

Al dit doet hij vooral door informatie te geven die hij opdeed tijdens het interviewen van talloze omstaanders, waardoor het boek iets heeft van een enorme puzzel van quotes die samen het hele verhaal vormen. Niet enkel muzikanten die samenwerkten met Holiday komen aan het woord, maar ook nachtclubeigenaars die haar lieten optreden, muzikanten die de song later speelden, critici over het moment waarop ze de song voor het eerst te horen kregen. Zelfs personeel van de nachtclubs mag zijn zegje doen. De song had vooral z’n voorstanders, maar er waren natuurlijk ook naysayers. Zo waren producers Ahmet Ertegun en Norman Granz meteen onder de indruk. Enkelen vonden het dan weer niks: voor John Hammond, die enkele jaren alles ervoor had gedaan om Holiday binnen te krijgen bij de band van Benny Goodman, was de song het begin van het einde, het moment waarop de ster werd omarmd door de linkse intellectuelen die ervoor zorgden dat ze zichzelf veel te serius ging nemen. Atlantic-man Jerry Wexler vond dan weer dat het al te zeer gericht was op propaganda, zeker aangezien het voorafgaande werk van Holiday eerde de ‘luchtige’ kant van de jazz belichaamde.

 billieholiday3.jpg

De song miste z’n impact niet, en bracht eveneens een grotere interesse in de persoon en muziek van Holiday op gang. Terwijl in het diepe Zuiden niet het risico genomen kon worden om de song te spelen, werd het door linke blanken en zwarten in het Noorden enthousiast onthaald. De labiele Holiday was echter ook iemand met een levensstijl die niet onbesproken kon blijven. Ze was naar verluidt biseksueel, hield er talloze minnaars op na, had problemen met drank én drugs (“In the spring of 1947 she checked into a New York hospital for detoxification (a nurse was among several people who supposedly supplied her with drugs there) and within a few months she was busted in Philadelphia, spending nearly a year in a federal penitentiary in Pennsylvania. (Before her first day was out, she had gotten high again).”, pag. 108), en een talent om zich te omringen met mannen die haar fysiek misbruikten. 

Er zijn talloze anecdotes over hoe Holiday bezopen of high het podium opkroop en vooral na concerten amper in staat was tot basiscommunicatie. Net als een hele resem andere jazzgroten uit de jaren veertig tot zestig (Charlie Parker, Dexter Gordon, John Coltrane, Chet Baker, de lijst is oneindig) was ze een junkie, een emotioneel wrak dat de scheidingslijn tussen waarheid en fictie amper nog wist te vinden. De autobiografie Lady Sings The Blues (1956) zou naar verluidt zo veel onwaarheden en onjuistheden bevatten dat weinig nog met zekerheid kan aangenomen worden. Net door die tragische levenloop die ervoor zorgde dat Holiday in 1959 overleed op amper vierenveertigjarige leeftijd, werd de song natuurlijk opgezadeld met een extra laag miserie en onlosmakelijk verbonden met het leven en lijden van de zangeres.

In Strange Fruit richt Margolick zijn aandacht echter vooral (wijselijk) op de weerklank van de song zonder de lezer te overrompelen met al te veel smeuïge details. Door de eindeloze aaneenstrengeling van meningen lijkt het aanvankelijk te blijven bij een oppervlakkige opsomming van het hele gebeuren rond de song, maar al die perspectieven zorgen uiteindelijk voor een beeld dat waarschijnlijk vollediger en genuanceerder is dan wanneer Margolick zich enkel had beziggehouden met geschiedschrijving en zijn een bewijs dat het zijn plaats zowel verdient tussen andere jazzmonumenten als “Body & Soul, “Take The “A” Train”, “Koko”, “Lonely Woman” en “A Love Supreme”, als tussen protestsongs als “We Shall Overcome”, “This Land Is Your Land” en “Masters Of War”. (****)

(*) Helaas geen hindernis voor klojo’s als Tori Amos en Sting.

David Margolick. Strange Fruit – Billie Holiday, Café Society, And An Early Cry For Civil Rights. London: Running Press, 2000. 152 pag.

NP: Wes Montgomery – The Incredible Jazz Guitar Of Wes Montgomery

wesmontgomery.jpg

Read Full Post »

Older Posts »

%d bloggers liken dit: