Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for december, 2007

Eén van de enige mooie aspecten van deze eindejaarsdagen: het filmaanbod. OK OK, elk jaar opnieuw zitten The Sound Of Music, Titanic en Sissi ook erbij, maar er valt ook steeds wat te rapen dat nog niet behoort tot het collectieve geheugen. En sommige films laten zich nu eenmaal steeds opnieuw bekijken. Intussen hopen dingen opgenomen en geprogrammeerd (Farewell My Lovely!, The Narrow Margin! The Great Escape!, en ook Hukkle!, die ik al lang wilde zien).

Gezien:

moderntimes.jpg

Modern Times (1936) van Chaplin, samen met The Great Dictator het beste dat ik van hem zag en een onverwoestbare klassieker van de Amerikaanse filmgeschiedenis. Je kan niet blijven herhalen wat erover gezegd werd, maar toch… Het is niet enkel de spectaculair in beeld gebrachte aanklacht tegen het Taylorisme met de opslokkende machines, maar er zijn ook nog het ritme, de elegantie, het pure filmplezier. Trouwens: vanavond valt op Canvas The General (1927!) van Buster Keaton te zien, een film die wat mij betreft op de hoogte van Modern Times staat (en dus net onder The Great Dictator). Samen met het beste werk van de Marx Brothers (A Night At The Opera, Duck Soup), de heilige direvuldigheid van de Amerikaanse zwart/wit-komedies. ’t Is wat anders dan die zeikerige eindejaarsshows, tanteke! (*****)

heat.jpg

Heat (1995) van Michael Mann. Waarschijnlijk de vijfde of zesde keer dat ik ‘m zag en toch weer aangenaam verrast. Ik vind ‘m nog altijd iets te lang, met een inzinking halverwege en een intussen verouderde synth-soundtrack (een terugkerend fenomeen bij Mann, zie: Miami Vice, Manhunter, etc), maar eens die legendarische (maar toch wat tegenvallende) koffieklets van De Niro en Pacino achter de rug is daalt het adrenalineniveau amper. De actiescènes, met de bankroof op kop, zijn stuk voor stuk tot nagelbijterij aanzettende spektakels, de finale is een classic, Pacino brult zich de ziedende ziel uit het lijf en er wordt aardig weerwerk geboden door De Niro, Jon Voigt en Tom Sizemore. Zelfs dat mens van Judging Amy, die een abonnement heeft op muurbloemrolletjes, is best genietbaar. Wat mij betreft schiet het als geheel iets tekort om een volbloed klassieker te zijn, maar er zijn slechtere, minder stijlvolle manieren om drie uur te slijten. (****1/2)

harrypotter.jpg

Harry Potter And The Goblet Of Fire (2005) van Mike Newell. Ijzersterke verfilming van een prima boek (het enige uit de reeks dat ik las, naast het eerste deel). Sinds het vorige deel (Harry Potter And The Prisoner Of Azkaban) lijken de acteurs me een beetje te veel gegroeid om nog trouw te kunnen blijven aan het boek, maar dat is amper een bezwaar. Wat donkerder en gewaagder dan zijn voorgangers en waarschijnlijk ook mijn favoriet van de eerste vier verfilmingen. (****)

lemonysnicket.jpg

Lemony Snicket’s A Series Of Unfortunate Events (2004) van Brad Silberling. Een paar dagen geleden te zien op BBC en komende woensdag (dacht ik) op VT4. Een film voor kinderen en volwassenen met Jim Carrey in een driedubbele hoofdrol en verder ook Mery Streep en komiek Billy Connolly. Het verhaal had zo uit een boek van Roald Dahl kunnen komen (drie kinderen worden plots wees en komen terecht bij een schifte oom, een graaf die enkel op hun familiefortuin uit is), maar de stilistische uitwerking is wat dit exuberante filmpje pas echt overtuigend maakt. Het is, net als de vertellingen van Tim Burton, net iets te donker om een klassieke kinderfilm te zijn. Het verhaal is niet zo meeslepend als het beste van die regisseur, maar het camerawerk, het kleurengebruik, de fantasierijke decors, etc, zijn bij momenten verbluffend. Het is alsof Duits expressionisme, film noir, een nachtmerrie en surrealisme hand in hand gaan. Elk shot is de moeite, hetzij door perspectieven, de theatrale opvulling (met vaak een hoofdrol voor een spectaculair over-the-top vliegende, maar onweerstaanbare Carrey die werkelijk alles – tics, accenten, gezichtsgymnastiek, intonatie, lichaamsbeweging – uit de kast haalt om de film extra pit te bezorgen), de frisse humor of vele knipogen. Het verhaal sleept te lang aan om echt te beklijven zoals de klassieke kinder- en kerstfilms dat doen, maar het visuele spektakel is dus grote klasse. (***1/2)

NP: Gary Lucas – The Edge Of Heaven (het blijft een wondermooie plaat, deze verzameling covers van Chinese pophits)

edgeofheaven.jpg

Ik denk dat ik nu maar wat platen van The Birthday Party ga beluisteren met m’n vriendin en de kat. Ze zijn beide nogal gesteld op bepaalde tradities. Tot zover 2007, content dat het achter de rug is. ’t Amusement als er vanavond nog grote plannen zouden zijn en anders ook. Adios.

Advertenties

Read Full Post »

Ik kreeg een stokje met eindejaarsvragen toegeworpen door Frank.

3 artiesten die ik in 2007 leerde kennen

Er waren er heel wat, maar die me nu even het meest zijn bijgebleven:

  • Exploding Star Orchestra – een eclectische 14-koppige big band onder leiding van trompettist Rob Mazurek. Hun plaat We Are All From Somewhere Else, die ik dan weer leerde kennen via de Freejazz-blog van Stef, is één van de meest kleurrijke, ambitieuze platen die ik dit jaar hoorde, en uiterst geschikt voor voor liefhebbers van avontuurlijke, moderne jazz, rock en experimentele muziek. Op 23/2 staat ESO in de Brusselse Botanique (de dag ervoor in de Kortrijkse Kreun), al weet ik niet in welke bezetting. Ze staan daar trouwens met een andere band die in dit trio voorkomt, nl.:
  • Zu. Italiaanse jazzpunk. Denk Nomeansno, maar dan meer experiment, meer jazz, geen zang. Ik kende hen van naam en reputatie, maar heb hun kracht pas echt aan den lijve ondervonden toen ze de Brusselse Recyclart begin dit jaar op z’n kop zetten met een overdonderend offensief. Drums + bass + baritonsax, en het resultaat is vermoeiend en een echte uitdaging, maar tegelijkertijd opwindend zoals weinig dingen nog voor me zijn.
  • Bruno Deneckere. Vlaamse rootsartiest van internationale klasse. Uiteindelijk overtuigd door collega RoenHetZwoen, het Geweten van de Vlaamse Muziekbeluisteraar, die al een tijdje hoog op liep met Deneckere en ook o.m. H.T. Roberts, wiens Acres Of Time ook een schitterende plaat is. Deneckere dus. Als voor elke vijf personen die een plaat van Milow, Admiral Freebie of Kowlier in huis halen er ook eentje Someday zou kopen, dan zou dat al een schone zaak zijn.

3 dingen die ik niet licht zal vergeten

  • Het optreden van Neurosis op Roadburn, een festival voor zwaar lawaai in de Tilburgse 013. Wat een overdondering.
  • De verhuis van Brussel naar Geraardsbergen deze zomer. In het bijzonder: de tijd en moeite die ik heb gestoken in het schoonmaken van twee trappen. Twaalf dagen, vijfentwintig liter allerhande producten, blaren op m’n handen en weken een stijve/pijnlijke rug.
  • Het overlijden van mijn grootvader en vooral het feit dat het enige dat ik kon bedenken “opgeruimd staat netjes” was. Daar had ik mezelf zelfs even verrast. (hey, ik ben eerlijk en weet waarom)

3 stommiteiten/blunders

  • Ik had me voorgenomen Someday van Bruno Deneckere te bespreken voor goddeau. Daar is niets van in huis gekomen. Wat een zonde, zeker omdat zo’n artiest de aandacht beter kan gebruiken dan namen die een eigen promomachine hebben.
  • Ik had eens tandpijn en deed er niets aan. Het zou wel vanzelf verdwijnen. Een paar keer dat signaal genegeerd en tenslotte eens een hele nacht staan ijsberen en m’n vuisten tegen de muur staan stompen van de pijn. ’s Anderendaags naar de tandarts van wacht, die m’n wijsheidstand op bijzonder boertige wijze eruitrukte (en zonder handschoenen, de vetzak!). Volgende keer maak ik meteen een afspraak, da’s beloofd.
  • Ik had me voorgenomen om het roken volledig te laten en dat is niet gelukt (ik ben zo’n lullige sociale roker die niet thuis of op het werk rookt, maar wel als ie ergens naartoe moet). Ik had me voorgenomen om na de verhuis iets te zoeken dat m’n dagelijke wandeling van/naar het werk zou vervangen, maar dat is er niet van gekomen. Resultaat: ik vervet. En ook: ik had me voorgenomen om op zoek te gaan naar ander werk. Ik ben niet verder geraakt dan één eerste ronde voor een nieuwe functie. Ik zie wel voor 2008, maar ik maak géén voornemens. Tenzij werk maken van iets serieus proberen te schrijven.

3 dingen waar ik trots op ben

  • De optredens die we met de band spelen. Dat we ons ding doen. Dat ik daar iets kwijt blijf kunnen dat m’n mentale gezondheid ten goede komt. De split die we opnamen met Pablo Diablo was best geslaagd, maar de optredens, hoe schaars ze ook mogen zijn, maken het af. Vooral spelen in een zo goed als lege Lido in Grobbendonk met The Killbots was kicken. Ook het feit dat we na vijf jaar nog steeds ons ding doen en binnen een paar maanden een nieuw album gaan opnemen.
  • “Trots” is een verkeerd woord, “tevredenheid” zou beter zijn. Ik ben content dat ik weer wat meer lees de laatste maanden. Het is wel een beetje ten koste van m’n schrijfproductiviteit, maar dat is, hoop/denk ik, een kwestie van zoeken naar een juiste balans.
  • Ik ben veel te slordig, maar nu en dan schrijf ik in m’n platenrecensies zinnen, of merk ik dingen op, waar ik achteraf een beetje tevreden over ben. Al kan ik me nu niets concreet herinneren.

3 gekochte of gekregen dingen

  • De recentste editie van de Penguin Guide To Jazz. Van mijn vriendin. Als ik ook de 2008-editie krijg, dan is ze al helemaal geweldig. Ha!
  • Aardig wat cd’s. Die koop ik vooral zelf.
  • Mijn moeder geeft me, als ik haar bezoek, regelmatig dingen mee voor in den diepvries die we later kunnen opeten. Ze zijn altijd lekker. Mijn moeder kickt ass.

3 mensen die dit stokje van mij krijgen

Roen, Staan en Marc

NP: Richard Thompson – Strict Tempo

stricttempo.jpg

Read Full Post »

  • Gisteren ontdekt: Geraardsbergen is het Rio de Janeiro van de Vlaamse Ardennen!

  • “Brussel en Geraardsbergen, beiden hebben ze een Manneken Pis, akkoord. Maar dat van Geraardsbergen is het oudste. Veruit zelfs: het scheelt op de kop 160 jaar. Met andere woorden, toen het Manneken van Brussel aarzelend begon te wateren, had dat van ons al een hele Dender volgeplast. Verzinsels? Neen, de waarheid. Historisch bewezen. En loepzuiver aan de hand van stadsrekeningen.”

  • De top van de Oudenberg ligt 110 meter boven de zeespiegel. Om die top te bereiken moet je eerst over de MUUR geraken, zelfs te voet geen vanzelfsprekendheid.

NOOT: Ik ben geen professioneel fotograaf met een professionele camera. Meer nog: zelfs m’n bescheiden ding heb ik amper onder controle. Beschouw bovenstaande dan ook als niet meer dan illustratiemateriaal.

In de volgende aflevering: meer over de lokale volksheld en zijn invloed op het culinaire gebeuren. Zelf kan ik de spanning amper nog aan.

NP: Horace Silver – Blowin’ The Blues Away

horacesilver.jpg

Read Full Post »

Shark Tale

sharktale.jpg

Wil een econoom, marketeer of eender wie ook maar een beetje begrijpt van deze consumptiemaatschappij, dit spel van vraag en aanbod, mij eens komen uitleggen waarom een prima product altijd gevolgd wordt door een verwaterde versie van een concurrend bedrijf? Quick begint een actie, en lap! McDonalds doet er nog een gratis burger bovenop. Telenet biedt 7 jaar gratis internet aan, en Belgacom 14! Vitaya begint een reeks over obesitas en VijfTV doet een obesitas-week. Is het dan toch gewoon winstbejag en opportunisme dat de dagelijkse gang van zaken bepaalt? *veinst ongeloof* Ik wil niet beweren dat Finding Nemo (Pixar) een tabula rasa was binnen de wereld van de animatiefilm, maar het was vast de reden waarom de heren bij Dreamworks gedacht hebben dat ze ook iets moesten doen met vissen. Veelkleurige, luidruchtige vissen.

Gezien: Shark Tale (2004), een pijnlijk kleurrijke animatiefilm die best goed van start ging, maar al snel slaapverwekkend werd. Of nee: enerverend. Allebei! De sterrencast is er eentje van heb ik je daar, met volk als Will Smith, Robert De Niro, Jack Black, Martin Scorses, Angelina Jolie, Renée Zellweger, Peter Falk, etc, maar helaas levert het geen goede film op. Iedere scène moet per sé weer volgestopt worden met interculturele referenties (een verplichting om serieus genomen te worden dezer dagen), het is actieactieactie van voor tot achter en het hele vehikel wordt opgesmukt met ellendige R & B. Het zou allemaal geen probleem geweest zijn als de fijne startpremisse – maak er een soortement maffiafilm-meets-inkeerverhaal van – zo snel uitgemolken was.

Ja, tuurlijk is het fijn dat De Niro (Goodfellas! Casino! The Godfather 2! The Untouchables! Heb je ‘m?) de Don mag uithangen, en het is best grappig om te zien hoe zeeëgel Scorsese voorzien is van die bekende borstelige wenkbrauwen, maar voor de rest: pfff. Will Smith BLIJFT TACHTIG MINUTEN ROEPEN en de rest kan ondanks waardige pogingen ook niet ervoor zorgen dat het flauwe script terug op de rails geraakt. En dit zou dan de kinderen moeten aanspreken? Met Shrek, Madagaskar en Ice Age moet dat nog lukken, maar ik denk dat de gemiddelde kleine bij het zien van dit zootje zijn flashy Wii erbij haalt en het op een boksen zet. (*1/2)

Anderzijds… ik heb vast ook wel heel wat rommel bekeken. Ik was wild van Thomas en Senior!

thomasensenior.jpg

NP: Pat Metheny & Ornette Coleman – Song X

songx.jpg

Read Full Post »

… volgens mij. Het is elke keer weer een leuk spelletje om de platen van het voorbije jaar nog eens onder de loep te leggen, te beluisteren en “goed” en “niet goed genoeg” van elkaar te scheiden. Ik had het geluk dat ik verplicht werd een lijstje te maken voor Goddeau, de website waar ik regelmatig recencies voor schrijf. Mijn lijstje is onvermijdelijk ook gekleurd door wat ik voor die website schreef. Als ik in m’n Top 20 veel platen opneem die ik zelf heb besproken (11 “stuks), dan komt het voor een stuk door het voordeel dat ik heb als recensent: ik krijg de kans albums te bespreken van bands die me nauw aan het hart liggen, die me wel iets lijken of die gewoonweg wat meer aandacht verdienen. Minstens tachtig procent van de platen en concerten die ik bespreek (het zouden er in 2007 een honderdtal moeten geweest zijn) zijn van bands die ik sowieso apprecieer.

Naast de platen die ik voor de site  besprak heb ik dit jaar niet zo heel veel nieuwe albums gekocht. Meer en meer blijf ik me verdiepen in jazz en de geschiedenis van de rock (in het algemeen), en dit valt onmogelijk te combineren met volledig op de hoogte blijven van het hedendaagse aanbod (onbegonnen werk, hoe veel tijd je ook hebt), al heb ik dit proberen te compenseren door het uitlenen van platen bij vrienden en kennissen en het leegplunderen van de Brusselse bibliotheek, die gelukkig heel wat recente releases aankoopt. De enige plaat die ik dit jaar in digitaal formaat in huis haalde was de nieuwe Radiohead.

Sommigen zullen misschien de wenkbrauwen fronsen bij enkele namen. Goddeau heeft de reputatie een “elitaire indie-site” te zijn. Terwijl dat voor een groot stuk nog steeds een gevolg zal zijn van het feit dat heel wat mensen er problemen mee hebben dat je een tekst schrijft die langer is dan tien regels en woorden bevat van meer dan twee of drie lettergrepen, zal het er ook wel mee te maken hebben dat de core business (om er maar een term op te plakken) van de website indie is. U weet wel: veel artsy geneuzel, pretentieuze prietpraat op een plaatje. Voor veel mensen staat gebrek aan succes gelijk aan kwaliteit, en andersom.

 Ik doe daar alleszins niet aan mee. Wie anders beweert kan een patat op z’n mulle krijgen, so to speak. Sinds jaar en dag probeer ik lullige (maar onvermijdelijke) noties als “genre”, “generatie” en “stijl” los te koppelen van mijn waardering. Ik ben opgegroeid met de stadionrock van The Police, Dire Straits en U2 (toen ik 12 was), schakelde rond m’n 15e over op punk en gitaarkabaal, draaide midden jaren negentig bijna uitsluitend jazz, ging later werken in een bluescafé (en dat werkte aanstekelijk), waarna ik terug aansluiting zocht bij het hedendaagse gebeuren, maar ook de werelden van de country, folk, moderne singer-songwriters en avant-garde probeerde te verkennen.

Ik ben geen postrockfanaat, maar ik hou van sommige postrockbands. Ik ben geen metalhead, maar enkele van de naar mijn mening beste huidige bands spelen metal. Ik ben geen snob (denk ik), maar ik kan echt kicken op de diversiteit, inventiviteit en intensiteit van jazz. Ik ben geen folkie, maar getokkel en simpele verhaaltjes vind ik prima. Ik geloof niet in aparte genres, ik geloof niet in aparte, perfect van elkaar gescheiden subculturen. Ik geloof enkel in muziek die goed is en muziek die niet goed is. En goed kan uit alle hoeken komen. Sommige muziek is zo extreem of kleurt zo sterk en veel buiten de lijntjes, dat de meerderheid er zijn neus voor blijft ophalen, maar net zoals een recensent moeite moet doen en zich er niet vanaf moet maken met een halve beluistering en een paar flauwe kwinkslagen, zo ook verdient een plaat van de “gewone” luisteraar een serieuze kans. Wie niet bereid is zo ver te gaan, dient zich dan ook te onthouden van veralgemenende oordelen. Muziek is geen behang, niet bij mij.

Maar genoeg gezeik. Hieronder de 20 platen die mij dit jaar het meest hebben geraakt, verbluft, van m’n stoel hebben gekwakt en verzekerd dat ik een kleine twintig jaar geleden een goede obsessie heb gekozen. Bij elke plaat een link naar een recensie en de bandsite/myspace-pagina of iets anders, waar doorgaans beluisterd kan worden.

20. Einstürzende Neubauten – Alles Wieder Offen

20neubauten.jpg

Lap, en het is al meteen van dat met een stel Duitse schrootcomponisten. Ik leerde Einstürzende Neubauten begin jaren negentig kennen via Halber Mensch en ben daarna ander oud werk als Zeichnungen Des Patienten OT en Kollaps (“de oerschreeuw van een groep die met elk nieuw album beschaafder haar dreiging te kennen geeft”, aldus een recensent) gaan verkennen. De band maakte volstrekt compromisloze herrie met schroot, boormachines en eender welk stuk vuil percussief gebruikt kon worden. De laatste vijftien jaar is het gevaarlijke en revolutionaire er wat af, maar dat heeft hen niet belet lentemuziek te blijven maken. Terwijl ik niet alles wist te pruimen, vond ik het recente Alles Wieder Offen opnieuw een schot in de roos. Zelfs nu hij conventioneler dan ooit klinkt, is Einstürzende Neubauten nog steeds één van de meest herkenbare en unieke bands van zijn tijd. Opnieuw hypnotische ritmes en post-industriële galm voorzien van tegen het dadaïsme aanleunende nonsenspoëzie, maar met een bezwerend en, durf ik het zeggen, melodieus resultaat.

Recensie Stijnblogt! – Website

19. Pig Destroyer – Phantom Limb

19pigdestroyer.jpg

On-waar-schijn-lij-ke oplawaai uit metalland. Pig Destroyer uit Virginia behoort al enkele jaren tot de top van de extreme metal, maar met Phantom Limb vegen ze niet enkel de vloer aan met de meeste bands op het gerenommeerde Relapse-label, maar ook met hun eigen oudere werk. De hondsbrute sound van de band zorgt ongetwijfeld voor een groot deel van de impact van de plaat (en ik beken eerlijk dat ik wel een zwak heb voor bands die m’n grenzen helpen verleggen), maar na een paar dozijn beluisteringen weet ik wel zeker dat deze smerige bastaard van een plaat moeiteloos de tand des tijds zal overleven. De plaat klinkt overweldigend hard (zelfs zonder bassist hebben ze de fond die veel hedendaagse metal ontbeert), de songs zijn divers (jaja) én inventief en aan het einde van de rit voelt het alsof je 5 platen tegelijk op je bord kreeg. Dankzij dit soort bands is de toekomst van de metal/grindcore wel even verzekerd.

Recensie MySpace – “Loathsome” Clip

18. Alela Diane – The Pirate’s Gospel

18aleladiane.jpg

Ongetwijfeld een van de meest opgehemelde debuutplaten van het jaar, ook al verscheen de plaat een paar jaar geleden al in de Verenigde Staten. De eerste berichten hadden het vooral over CocoRosie en Joanna Newsom, maar Diane is een pak klassieker en toegankelijker dan beide artiesten (en pakken beter dan het onwaarschijnlijk over het paard getilde CocoRosie). Het “meisje met de gitaar” van dit jaar heeft een mooie stem en stijl die ergens het midden houdt tussen de oerfolk van Joni Mitchell en het oudere werk van Michelle Shocked. Ze staat met een been in een fameuze traditie (sommige songs lijken dan ook enkele decennia gerijpt te zijn), maar door het combineren van stemmen en enkele geeky tics klinkt ze ook hedendaags. Ik heb de plaat eigenlijk nog niet zo heel vaak gedraaid (een maand geleden pas aangeschaft), dus het zou me niet verwonderen dat ik binnenkort klaag dat ze eigenlijk een paar plaatsen hoger diende te staan. Het “yo-ho-ho” van de titelsong dat velen zou aanstekelijk lijken te vinden, vind ik maar onnozel, maar dat wordt moeiteloos gecompenseerd door geweldige, melancholische brokken als “Foreign Tongue”, “Heavy Walls” en “Clickity Clack”.

Geëmotioneerde recensie van een man die emoties al lang had afgezworenMySpace – “The Rifle” clip

17. Om – Pilgrimage

17om.jpg

Om, de band die alle andere bands theatraal doet klinken. Ooit zaten drummer Chris Hakius en basisst/zanger Al Cisneros samen met Matt Pike (nu: High On Fire) verstopt in een onderaardse krocht om als Sleep te werken aan zowat de meest logge en zware muziek denkbaar. Als Om hebben ze intussen drie albums uitgebracht, drie werkstukken die als geen ander genrelabels weten te vermijden. Het is geen metal, het is geen postrock, het is geen avant-garde, het zijn geen drones, en toch heeft het van al die dingen wel iets. Het slaat aan bij doomfanaten en bij de ultrahippe elite van Wire. Kale, van alle ballast gezuiverde mantra’s en variaties op thema’s die soms meer dan tien minuten aanslepen. Pilgrimage heeft slechts één nadeel: de plaat is wat kort. Voordeel: geen enkele band, maar dan ook echt geen enkele, klinkt als Om. Het derde hoofdstuk in een unieke, hypnotiserende discografie.

RecensieMySpace – “At Giza” (uit de vorige plaat)

16. Blonde Redhead – 23

16blonderedhead.jpg

Hier de sleeper hit van het jaar. Een eerste beluistering was eerder teleurstellend. Daarna, misschien in de juiste stemming, terug opgediept en sindsdien verslingerd aan deze uitstekende popplaat. Een adjectief dat ik een paar keer ben tegengekomen is “narcotisch”, en zo klinkt het ook een beetje. Alsof de muziek gehuld blijft in een mysterieuze waas. Hier en daar doen het denken aan het spacey gedoe van Air, dan weer aan de fluisterpop van Charlotte Gainsbourg (met Air) of het ijzige exorcisme van Mazzy Star. De twee helft is een beetje teleurstellend in vergelijking met de eerste, maar die eerste vier songs zijn dan ook een geweldige combinatie van vederlichtheid en tristesse. Een echte mijmerplaat dus. Favoriet nummer: “The Dress”.

RecensieMySpace“The Dress” clip

15. Stars Of The Lid – …And Their Refinement Of The Decline

15starsofthelid.jpg

Ambient. Ik kan het zelf ook amper geloven. Geen synthetische ambient, maar organisch minimalisme dat ongelooflijk klinkt als je in het donker ernaar kan luisteren via een fatsoenlijke installatie met grote speakers. Gorecky + Eno + Glass. De eerste van drie instrumentale platen in het lijstje en tegelijkertijd de grootste portie oorsmeer van het jaar.

Recensie MySpace“The Daughters Of Quiet Minds” clipje

14. Dinosaur Jr. – Beyond

14dinosaurjr.jpg

Comebackplaat van het jaar. Ik was een dikke vijftien jaar geleden al compleet zot van You’re Living All Over Me en Bug. Zelfs de grootste fans zullen echter moeten toegeven dat het vet daarna van de soep was. Er volgden nog een paar uitstekende plaaten (Green Mind, Hand It Over), maar de spirit was eraan. Een plotse reunie onthaalde ik haast op hoongelach, maar het concert was al een meevaller, en deze plaat al helemaal. Het is geen instant classic van het niveau van de eerstvermelde albums, maar Beyond kan moeiteloos de strijd aangaan met Green Mind. De ritmesectie van Lou Barlow en Murph rockt als vanouds en J. Mascis laat zijn gitaar gieren zoals die dat al vijftien jaar niet meer deed. De talloze reünies van de voorbije twee jaar waren waarschijnlijk de grootste ziekte die zich manifesteerde in de muziekwereld (dat die zeikers van The Police, The Eagles en consoorten ter plekke omvallen van schaamte en verstopte urinebuizen), maar als het op deze manier ook kan, ja dan zijn we plots terug 15 jaar oud. Hét moment van de plaat: de gerekte gitaartoestaanden van “Pick me Up”, een machtig moment. Geluk. Van korte duur, maar toch: geluk.

RecensieMySpaceUit de oude doos

13. Exploding Star Orchestra – We Are From Somewhere Else

13eso.jpg

Tweede instrumentale plaat. Een jazzalbum. Alhoewel: het is eigenlijk zo veel tegelijk. Free jazz, tegen postrock aanleunende gedoe, een soundtrack, avant-garde, repetitieve muziek. Het is experimenteel maar tegelijkertijd heeft het een swing en een schwung die op bijzonder geslaagde manier de brug slaat tussen verschllende geluiden en stromingen. Theatraal, ambitieus en zelfs pretentieus. Sun Ra meets Tortoise. Veertien muzikanten die zich volledig laten gaan in twee futuristische suites in verschillende delen. Pompende, aan Lalo Schifrins soundtracks verwante 70s muziek, gekoppeld aan hypnotische experimenten, gerotzooi met in geluid omgezette stroomschokken van palingen (serieus) en groepsimprovisatie. Een op hol geslagen lunapark dus, maar fucking hell, het gebeurt met een enthousiasme, creativiteit, wendbaarheid en energie die zelfs in de meeste rockmuziek niet terug te vinden is. op 22/2 staan ze in de Kortrijkse Kreun, de dag erna in de Brussel Botanique, al heb ik er geen idee van in welke bezetting. Gaat dat zien!

Recensie (komt eraan) – MySpace

12. Dälek – Abandoned Language

12dalek.jpg

“(…) niets minder dan het derde magistrale hoofdstuk geworden van wat hopelijk ooit als een sleutelwerk in 00s muziek zal beschouwd worden” schreef ik begin dit jaar en  ik neem er geen woord van terug. Nu ik de plaat nog eens beluister besef ik dat ik Abandoned Language best een paar plaatsen hoger had mogen zetten. Deze hiphop is met geen andere vergelijkbaar. Dälek zoekt oorden op waar weinig artiesten – hiphop, rock of experimentele muziek – durven gaan. Het is een gitzwarte trip waarin het duo zijn voornaamste wapen (taal) vanuit alle kanten bestormt, bedenkt onder effecten en haast verzuipt in een opeengeprakte muzikale begeleiding als een stinkende, hete pekstroom. Makkelijk is het zeker niet, het kost me nu nog moeite om het album volledig uit te zitten, maar het is wel een knoert van een belevenis. Een plaat om kleine kindjes een levenslang trauma mee te bezorgen en een herinnering aan het feit dat veel te weinig artiesten nog kloten aan hun miserabele lijf hebben.

Recensie ConcertrecensieInterview MySpace

11. Mavis Staples – We’ll Never Turn Back

11mavisstaples.jpg

Van een totaal andere orde, maar daarom niet minder imposant. Waarschijnlijk de meest indringende verhalenplaat van het jaar. Een terugblik op decennia van raciale ongelijkheid. Ik ben geen echte kenner van het eerdere werk van Saples (solo of met de Staples Singers), maar ik ben er vrij zeker van dat ze met We’ll Never Turn Back de beste plaat van haar carrière heeft gemaakt. Elke song klinkt immers zo zelfverzekerd, zo puur, zo “juist” dat je als luisteraar, en zeker als soul-, blues- en gospelliefhebber, niet anders kan dan overrompeld zijn door het effect dat deze songs en vooral deze stem teweeg kunnen brengen. Dat de plaat gedrenkt is in een indrukwekkende sound (het is alleszins de best klinkende soulplaat van het jaar) en Staples wordt ondersteund door rasmuzikanten als Ry Cooder en Jim Keltner is natuurlijk een bonus van kaliber. Een tweede comeback van het jaar.

RecensieMySpace“Eyes On The Prize” clip

.

.

.

.

.

.

Hé, u bent er nog! Cool!

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

10. Radiohead – In Rainbows

10rainbows.jpg

… en waar ik meer dan tien jaar geleden van de Radioheadwagon stapte, daar pikken ze me nu opnieuw op. Ik heb altijd een haat/liefde-verhouding gehad met deze band. Of beter: terwijl ze me met The Bends en, in mindere mate OK Computer, nog wel wisten te raken, was dat achteraf zelden of nooit het geval. Ik kon enkele songs pruimen, maar ik vond nooit iets aan het over het paard getilde Kid A (helemaal niet revolutionair), Amnesiac (pffff) of het middelmatige Hail To The Thief. Die laatste plaat probeerde wat met In Rainbows wél gelukt is: een synthese maken van waar de band voor staat. Het boeiende aan deze plaat is dat ik het gevoel heb dat hij na heel wat beluisteringen nog steeds niet zijn geheimen heeft prijsgegeven. Als een plaat na 10, 20, 30 beluisteringen nog steeds kan aanspreken en intrigeren, dan is er sprake van een klasseschijf. Maar laten we nu wel niet onnozel gaan doen en stellen dat de band een revolutionaire daad heeft gesteld door zijn muziek gratis beschikbaar te stellen als download (en anderzijds zestig euro verwachtte voor een luxepakket). Het is een schone geste, maar er zijn bands, veel kleinere, nietsbetekenende bands, zoals bvb. The Pax Cecilia, die geen downloads maar CD’s weggeven (+ versturen naar België), en dat terwijl ze bijlange niet rijk zijn, zelfs niet uit de kosten kunnen geraken. Als Radiohead echt een grootste daad wil stellen, dan stel ik voor dat ze een miljoen CD’s op de markt gooien zonder dat er een prijskaartje aan vasthangt, of dat ze een wereldtournee op poten zetten à la Fugazi, zonder belachelijke gage, en ervoor zorgen dat enkel de kosten gedekt moeten worden. Maar wel een verdomd goeie plaat, die In Rainbows.

RecensieMySpace – Een machtig “Videotape”

9. High On Fire – Death Is This Communion

9highonfire.jpg

Simpele versie: dit is DE SHIT. Als ik in een van m’n woeste, verontwaardigde, miljaar-ik-heb-goesting-om-de-barak-af-te-breken-buien heb (en dat wil wel eens voorvallen), dan kan ik steeds terecht bij dit trio onheilsprofeten. Sinds The Art Of Self-Defense maken Matt Pike, Den Kensel en de bassist die in de buurt is (voorlopig nog steeds Jefke Matz) de ultieme bulldozermuziek. Het is Motörhead voor de 21e eeuw, met de aggressie van Slayer, de lompheid van Sabbath en de furie van een roedel hondsdolle bouviers. Muziek om bij te amputeren zonder verdoving, om te zuipen, te lachen en het varken  uit te hangen. Muziek die levensbevestigend is, een schop in de kloten, een lel tegen de kop, die het zelfbeklag een halt toeroept, die het kot doet daveren op zijn grondvesten en die je eraan herinnert dat rockmuziek luid, vuil en gevaarlijk moet zijn. Of toch af en toe. Een fucking pletwals, deze Death Is This Communion. Deze vierde plaat veegt de vloer aan met al wat zichzelf dezer dagen naar voren schuift als de redders van de rock-‘n-roll. Kleuters met kleine pietjes, dat zijn ze, in vergeljking met High On Fire. Nèh!

RecensieConcertbesprekingInterview Myspace“Rumors Of War” clip

8. Jesse Sykes & The Sweet Hereafter – Like, Love, Lust & The Open Halls Of The Soul

8jessesykes.jpg

Ik ben dit jaar maar één keer verliefd geweest. Op Jesse Sykes. Omdat dat zo zelden gebeurt en het kot afbreken eigenlijk elke dag kan, staat Jesse Sykes hoger dan High On Fire. Zo. De vorige twee albums waren al goed, het derde is nog beter. Donkere, roestbruine rootsmuziek. Die hese stem, die rijke beelden, die zorgvuldig verpakte songs en schrale begeleiding. Of, zoals collega Roen het mooi verwoordt: “(…) een ideale plaat voor de nachtwacht: de nachtburgemeesters, de nachtbrakers en ander nachtongedierte die het daglicht schuwen.” LLL & The Open Halls Of The Soul is een volwassen, doorrookte plaat die meer levenswijsheid lijkt te bevatten dan eigenlijk mogelijk is. Nee, “tof” is deze plaat niet, maar “tof” is dan ook een woord dat verbannen zou moeten worden uit de Nederlandse taal. Bloedmooi en passioneel.

Recensie ConcertbesprekingInterviewMySpace – Speciaal voor mezelf:

jessesykes.jpg

7. The Hold Steady – Boys And Girls In America

7holdsteady.jpg

Waarschijnlijk de plaat die ik het meest gedraaid heb uit dit lijstje. Ik vind het dan ook heel erg vreemd dat niemand mijn zwak voor deze band en plaat lijkt te delen. Ja, het klopt dat ze eigenlijk een indie versie zijn van wat Bruce Springsteen al een paar decennia doet. Ja, het klopt ook dat er op deze plaat niks vernieuwends, origineels, revolutionairs te rapen valt. En dan? The Hold Steady hebben met deze plaat bewezen dat het perfect mogelijk is om een coherente, commerciële rockplaat te maken met grote refreinen, catchy melodieën en een sound die mikt op grote concertzalen. “Chips Ahoy!” swingt als een tiet, “Hot Soft Light” vormt simpelheid om tot een deugd en “Same Kooks” rockt met de schwung van Replacements-meets-Thin Lizzy. Scherpe observaties, leuke woordspelletjes, en songs die op de radio één voor één klinken als vergeten klassiekers. Daarmee na The Hold Steady even de rol van The Drive-By Truckers op zich. OK, ook ik krijg het op m’n zenuwen van dat vals kwelend trutje in “Chillout Tent”, maar die verhalen man, die verhalen! Laat die kerel een kortverhalenbundel schrijven, en snel.

Recensie MySpace “Chips Ahoy!” clip

6. Bettye LaVette – The Scene Of The Crime

6lavette.jpg

Ik leerde haar kennen toen Munich een jaar of zeven geleden Let Me Down Easy uitbracht, een liveplaat die meteen liet horen wat een schande het wegzinken in de anonimiteit van LaVette wel niet was. De muzikale begeleiding was niet altijd je dat (die fucking synths altijd), maar die stem, DIE STEM. Ik voegde er toen, enigszins stijfjes aan toe “The passion and adventurousness of those classic bands isn’t there, but this is redeemed by the force of nature Bettye Lavette is, a woman with enough imagination and interpretative powers to revert the most banal into something meaningful. May the voice never cease singing.” Sinds die liveplaat heeft ze ook een paar studioplaten uitgebracht, en steeds met stijgend succes. Ten tijde van I’ve Got My Own Hell To Raise stond ze eerst in de AB Club, daarna in de Box, en volgend jaar staat ze, met haar eerste concert sinds de release van The Scene Of The Crime, in de grote zaal. En terecht, want The Scene Of The Crime is opnieuw een klein mirakel geworden. Er waren dit jaar nog fijne soulalbums, o.m. van Mavis Staples, Sharon Jones en Nicole Willis, en terwijl die allemaal ijzersterke songs konden voorleggen (Staples misschien nog het meest van allemaal) blijft LaVette m’n favoriete hedendaagse soulzangeres. Het is de soul,  emotie, de onderbuik die ’t ‘m doet. De stem kraakt en piept en scheurt, is vaak niet eens mooi, maar man, dat leven dat erin zit, die volharding, dat karakter. Jaren heeft ze moeten wachten op erkenning en bakken stront over zich heen gekregen. Om dan met zo’n platen revanche te kunnen nemen, dat is geweldig. Slappe kak valt er op de plaat niet te rapen (die kwam terecht op de laatste van Feist, ten huize Boleuzia de tegenvaller van het jaar), maar er is toch ook een song die er torenhoog bovenuit steekt, zoals ik destijds ook al duidelijk probeerde te maken met mijn recensie. “Talking Old Soldiers” is zonder enige twijfel m’n favoriete song van 2007. Twintig keer na mekaar, en elke keer opnieuw kippevel en ontroering die enkel de groten teweeg kunnen brengen. Er niet goed van zijn. Een monumentaal moment, dat op dezelfde hoogte staat als het beste van andere helden als Cash en Coltrane.

RecensieConcertbespreking (2006) MySpace “Before The Money Came (The Battle Of Bettye LaVette)”

5. Robert Plant & Alison Krauss – Raising Sand

5plantkrauss.jpg

Ik ga lui zijn en zomaar kopiëren van Roens blog (sorry, kerel): “Gelukkig neemt het leven af en toe ook leuke, aangename wendingen. Wie had bijvoorbeeld durven denken dat Robert Plant, in een vorig leven het Gouden Strottenhoofd van Led Zeppelin, samen met het aantrekkelijke bluegrass engeltje Alison Krauss ooit een plaat zou maken? Toen ’Physical graffiti’ verscheen in 1975 was Robert Plant, in die tijd de schrik van alle hoteluitbaters, immers al een mooie, jonge Rock God van 26 en Alison Krauss een kleutertje van amper een jaar of 4. En toch heeft dit godswonder zich anno 2007 voltrokken. Het prachtige resultaat draagt de naam ’Raising sand’ en vind je vandaag in ruil voor slechts enkele luttele euro’s zomaar in de platenwinkels. ‘Raising sand‘ mag dan slechts een coverplaat zijn, toch is het niet zomaar het soort inderhaast ineen geflanste coverplaat waarmee Patti Smith ons eerder dit jaar teleurstelde. Nee, ’Raising sand’ behoort tot de categorie coverplaten waartoe ook een coverplaat als ’I’ll take care of you’ van Mark Lanegan behoort. Buiten categorie dus, en van een al even onaardse schoonheid als dat Mark Lanegan coveralbum. Eén van de allermooiste platen die deze eeuw ons tot nog toe heeft geschonken.” Ik heb daar eigenlijk niets aan toe te voegen. Let vooral op het verrassend mooie en smaakvolle spel van Marc Ribot.

Recensie (Goddeau)Recensie Digg (Digg*) “Fortune Teller”

4. The National – Boxer

4national.jpg

Een plaat de hype waardig.

Recensie (van Diskobox, a.k.a. Goddeau’s vuile downloader, die maanden voor de release al had gewaarschuwd voor zoveel pracht)MySpace “Fake Empire” Live bij Letterman

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

De TOP 3! Voor deze platen plak ik hier eenvoudigweg mijn recensies. Niet omdat ze het laatste woord erover bevatten, maar omdat ze zouden moeten zeggen wat ik erover kwijt wilde (en een beetje omdat ik al moegeluld ben). Lukt dat niet, pech. Lukt dat wel, prima. Zijn ze te lang? Tja… #3 en #1 zijn deze keer geen emotionele bom zoals American V van Johnny Cash vorig jaar, maar ze belichamen voor mij wel al het geweldige dat verscheen in 2007. Een instrumentale jazzrockplaat, een overweldigende nachtelijke trip van zowat de meest donkere band aller tijden en tenslotte een experimentele plaat van een geniale kameleon op de piek van zijn kunnen.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

3. Marc Ribot – Asmodeus: The Book Of Angels, Vol. 7

3ribot.jpg

Het grootste nadeel van melomanie is de dikke huid die je eraan overhoudt. Hoe meer muziek je hoort, hoe kleiner de kans dat iets je nog van je stoel weet te blazen. Maar als het dan toch gebeurt, dan willen we onze heilige principes wel even opzijzetten. Alles om u zover te krijgen dat u dit beest in huis haalt.

Als Ribot iets opstart of zich ergens mee moeit, dan is het op z’n minst interessant. Of het nu gaat om zijn Latin-clubje met Los Cubanos Postizos, freejazzband Spiritual Unity, zijn bijdragen aan diverse John Zorn-projecten of ’s mans legendarische invullingen op Tom Waits’ beste albums, Ribot slaagt er telkens weer in zijn stempel op het geheel te drukken. Het mag dan ook geen verrassing heten dat de gitarist door Zorn werd aangezocht om een resem composities uit het tweede Masada Songbook uit te voeren. Waren vorige volumes met o.m. het Masada String Trio, pianist Uri Caine en The Cracow Klezmer Band nog enigszins ingehouden, dan worden de poorten van de waanzin nu volledig opengegooid. Samen met bassist Trevor Dunn (met Ribot lid van Electric Masada) en drummer Grant Calvin Weston verlegt Ribot de grenzen van waartoe een klassiek power trio in staat is.

Een tijd geleden wisten Ribot & Ceramic Dog de Gentse Vooruit nog in lichterlaaie te zetten met enkele songs. Dit album doet dat van start tot finish: deze tien songs leggen de lat immers een pak hoger dan we in lange tijd gehoord hebben. Zelden hoorden we een stel veteranen met zoveel gecontroleerde woestheid tekeergaan. Ribot klonk nooit zo gestoord en intens, en het hele album is dan ook een eerbetoon aan de edele kunst van het gitaarlawaai, een trip waarbij niet enkel gitaarjazz en Zorns exotica worden aangedaan, maar en passant ook op visite wordt gegaan bij de jazzrock van Ornette Colemans Prime Time, Miles Davis’ A Tribute To Jack Johnson en de withete stortvloed waar Sonny Sharrock (solo en bij Last Exit) een patent op had. McLaughlin, Hendrix, Fripp en Cline worden vrijwel achteloos in een pot gekwakt en het resultaat doet de haren te berge rijzen.

“Kalmiya” is niets minder dan een kopstoot die de plaat aftrapt met de metertjes in het rood. Ribot jengelt en schroeit erop los terwijl de ritmesectie de indruk geeft enkel z’n eigen onduidelijke logica te volgen. Alles valt echter in de plooi: de schijnbare chaos was slechts een aanloop naar een tot in de details uitgewerkte compositie die door het trio te lijf wordt gegaan met een verbijsterende virtuositeit. Als Ribot soleert — vaak met geluiden, stijlen en effecten die niet van deze wereld lijken — dan betekent dat niet dat Dunn en Weston braafjes toekijken van op de zijlijn: net als bij Masada is elke song een ononderbroken wisselwerking waarbij muzikanten elkaar voortdurend opjutten, aanmoedigen en van antwoord voorzien. De dynamiek die in deze uitvoeringen schuilt, zorgt ervoor dat de concentratie geen seconde verslapt.

Weston, die als tiener debuteerde bij Ornette Coleman en later de gitaaruitspattingen van James Blood Ulmer voorzag van een gespierde fond, lijkt constant alomtegenwoordig te zijn, met rollende grooves, hyperkinetische starts & stops en dodelijk geplaatste accenten. Dunn vloeit mee, beukt er loodzwaar op los en weet de meester constant op te jutten en aan te zetten tot zelfoverstijging. Asmodeus is dan ook niets minder dan een hoogtepunt in de carrière van Ribot, in de Masada-catalogus en de gitaargebaseerde jazz. Of het nu gaat om mindfucks als “Kezef” en “Cabriel”, of tegen hardrock aanleunende bluesy betonblokken als “Mufgar” en het mini-epos “Zakun”, je kan je als luisteraar gewoonweg niet van de indruk ontdoen dat hier geschiedenis wordt geschreven.

Hoogtepunten? Een stuk of tien, maar op dit ogenblik hebben we het vooral voor de furieuze opener, het uitgesponnen “Yezriel”, dat zo op Hendrix’ Band Of Gypsys had gekunnen, en de dubbele kaakslag van “Dagiel” en “Sensenya” die de plaat afsluit. Volk dat Ribot enkel kent van zijn zonnige Cubaanse uitstapjes en platen als Rain Dogs, benadert het album best met enige omzichtigheid, maar zij die tegen een stootje kunnen, hoeven zich geen zorgen te maken: ondanks het gefreak en de hectische aanpak valt er in de doorgaans korte songs geen noot te veel te bespeuren. Om het verkooppraatje te beëindigen: Asmodeus is niets minder dan een opwindend meesterwerk van een van de grootste muzikanten van deze tijd. (© goddeau)

“Zakun”

2. Neurosis – Given To The Rising

2neurosis.jpg

Als je navolgers ook uitgroeien tot referenties, dan kan je stilaan beginnen te spreken van een nalatenschap. Gesproken in Werchter-termen zal Neurosis nooit groot worden, maar door de langzaam toenemende erkenning wordt de band intussen beschouwd als één van de meest invloedrijke en unieke van zijn tijd. Terecht. Als zo’n band er dan ook nog eens in slaagt de navolgers het nakijken te geven, wordt er opnieuw geschiedenis geschreven.

Given To The Rising is een meesterwerk. Een plaat die, net als de andere albums van de band, gemaakt werd op leven en dood, en er zelfs niet aan denkt toegevingen te doen. Wie mee wil zijn, moet moeite doen. Wie te lui is, kan vast elders terecht. Sinds Souls At Zero (1992) bewandelt Neurosis een pad dat even boeiend als intimiderend is. Zowel op plaat als tijdens optredens gaan kracht en emotie hand in hand, worden verlaten oorden opgezocht die op een kleurenkaart tussen donkergrijs en zwart te situeren zijn. Dit tiende album is misschien wel het meest representatieve dat de band al uitbracht. Net als op de voorbije albums wordt er geëxperimenteerd met geluiden, sferen en opvulling, maar deze keer wordt ook weer heil gezocht bij de rauwe energie van de oudere albums. Meer dan ooit klinkt de band daarbij als een niet te categoriseren machine, eentje die zijn eigen plaats in de geschiedenis van de overdondering heeft afgedwongen.

Naar goede gewoonte nemen de songs de tijd om zich te ontvouwen. Geen enkele song is er een waarop je even uit de bol gaat, geen enkele is gemaakt om je op te amuseren. Daar is de muziek te contrair, te intens en te donker voor. Grote stukken van de nummers bestaan uit kalme passages, lange intro’s en outro’s, maar net door de consequent dreigende sfeerinvulling houdt het album de luisteraar in z’n greep. “At The End Of The Road” heeft vijf kille minuten nodig om op gang te komen, maar eens dat gebeurt, ben je wel klaargestoomd om het tribale gebonk te ondergaan. Denk aan de hedendaagse Killing Joke, maar dan epischer en dramatischer. Of neem nu “Distill (Watching The Swarm)”: meer dan negen minuten drumsalvo’s, onheilspreken, en ook een paar minuten sinistere kalmte die de spanning zo mogelijk nog opdrijven.

Eén song zijn er regelmatig twee. Het titelnummer dat de plaat opent, is meteen een Neurosis-classic, een tergend wrang, tussen Swans, doom en sacrale ambient zwervend beest dat na vijf minuten slaan en zalven en slaan en zalven zijn eindpunt bereikt lijkt te hebben, en vervolgens een andere richting uitdraait en zorgt voor een gepaste instrumentale coda met wrecking ball-allure. Een vergelijkbaar scenario doet zich voor in “Water Is Not Enough”, de vooruitgeschoven song die al geruime tijd op het net te vinden is. Het is niet voor niets de meest toegankelijke song van de plaat, een rond een repetitieve riff en grauwe zang opgetrokken mokerslag met dubbele climax, die in zijn tweede helft ook om zich heen slaat met knoerthard gehamer en de gierende manipulaties van toetsenman Noah Landis.

En zo weet elke song zich wel te onderscheiden: “Fear And Sickness” klinkt als een pervers stampend eerbetoon aan een in een stammencultuur gesloten pact met het kwade, “To The Wind” verleidt aanvankelijk met een clean gitaarlijntje dat van Red Sparowes of Explosions In The Sky had kunnen komen, en komt terecht bij een ronduit titanische veldslag van schedelbrekend gebeuk. Teksten zijn naar goede gewoonte vaag en spiritueel getint, en dat lijkt ook niet anders te kunnen. Muziek die zo groots en confronterend is, met songs die met zo’n controle en focus worden opgebouwd (afsluiter “Origin” stelt het geduld negen minuten lang op de proef), is niet gediend van kleine verhalen en bekommernissen. Het zorgt ervoor dat ook deze nieuwe Neurosis uitpakt met een symfonisch gewicht dat op het gepaste moment, en in z’n geheel, meegemaakt moet worden.

Je bent niets met Given To The Rising in het gezelschap van anderen, pik er niet zomaar een song uit om te delen, ga niet selectief te werk. Net zoals een boek en film idealiter in één keer geconsumeerd worden, zo ook is dit album een totaalpakket. En als u de kans heeft om ongestoord te luisteren met een koptelefoon, nog beter. Een parcours als dit leg je alleen af. (© goddeau)

ConcertbesprekingInterviewMySpace – Ik vond geen recente filmpjes of clips, dus vandaar deze gouwe ouwe van een jaar of tien terug: “Locust Star”

1. John Zorn – Six Litanies For Heliogabalus

1zorn.jpg

“To boldly go where no band has gone before.” Het had het credo van John Zorns meest recente project kunnen zijn. Wie dacht alles al gehoord te hebben na het zintuigenverwoestende Moonchild en het geschifte Astronome, zat er mooi naast. Het slotstuk van de reeks is zo mogelijk nog zotter en vooral: beter.

00:00: drum- en kefaccenten als Oosterse vechtkreten, en de sluis wordt opengegooid voor tweeëneenhalve minuut infernale ketelherrie, gestuurd door een uitzinnige attack van rammelende bassen, aangedikt met suizende orgeltonen en hysterisch gekrijs en gekerm. Een van de pot gerukte veldslag tussen Baron en Dunn. 02:36: een moment van sereniteit met middeleeuwse sferen door een vrouwenkoor. 03:21: een potige groove die van NoMeansNo had kunnen zijn, maar ontaardt in een finale van gesis en delirisch orgelgezoem. 04:31: verkenning van het etherische, met een kokhalzende Patton, die troost vindt in de schoot der vrouwen. 05:43: de terugkeer van de bas/drum-pletwals van deel 1, maar dan mét Zorns saxhysterie. 06:46: duivelse ambient met cimbalengetik, onheilspellend gefluister en plaagstootjes van orgelist Jamie Saft.

En dat is nog maar de eerste van zes litanieën. Het moge duidelijk zijn dat Zorn met dit derde en — zo vermoeden we — laatste deel, niet ineens soft geworden is. Six Litanies For Heliogabalus zit in dezelfde sfeer als Moonchild en Astronome, is schatplichtig aan dezelfde invloeden, maar is een expansie van de eerste twee volumes. Het trio wordt nu immers vergezeld door toetsenman Jamie Saft en geluidsmanipulator Ikue Mori, waardoor een kernversie van Electric Masada het mooie weer maakt op dit deel. Interessant zijn nu ook de expliciete aanwezigheid van Zorn, die ervoor zorgt dat het album een hoog Painkiller-gehalte krijgt, en de bijdragen van een driekoppig vrouwenkoor waardoor de plaat nu en dan verse oorden verkent.

Six Litanies For Heliogabalus klinkt een pak sensueler dan zijn gewelddadige voorgangers, wat ook een direct gevolg is van de centrale thematiek. Heliogabalus was een van de meest beruchte der Romeinse keizers, een wrede megalomaan wiens nalatenschap volledig in het teken stond van decadentie via seksuele excessen, afschaffing van het traditionele godenapparaat en uitzinnige geweldfestijnen. Zorns extremisme is de perfecte soundtrack bij dat door schandelen gekenmerkte leven; dat Six Litanies niet enkel een mooie dwarsdoorsnede biedt van de eerste albums, maar daarenboven een extra muzikale rijkdom aandraagt, is mooi meegenomen. Het album is diverser dan Moonchild en vooral een pak minder abstract dan Astronome. Door het extra personeel wordt er uitgepakt met een veelzijdigheid die van deze finale zowel het drukste als meest verteerbare luik maakt.

Als de band loos gaat, dan wordt verschroeiend hard uitgehaald (luister eens naar de verpletterende groove van de tweede litanie), maar er worden nu meer rustpunten ingelast. Zo krijgen de vrouwen even vrij spel, waarin ze als een stel geile giecheltrutten een orgie-sfeertje oproepen, hetgeen al snel in de kiem wordt gesmoord door een agressieve hakfinale. De derde en vijfde litanie vinden ook ’een evenwicht tussen geweld en schoonheid: zo zorgen de orgelpartijen van Saft en de druppelelectronica van Mori voor een tegengewicht voor de vocale acrobatiek van Patton en Zorns gierende chaos. Litanie IV is zelfs een solostuk voor Patton die werkelijk alles uit de kast haalt om zijn acht woordenloze minuten te doen uitgroeien tot een nu al legendarische tour-de-force. Horen is geloven.

De laatste jaren kreeg je steeds vaker te lezen dat Zorn z’n edge verloren zou hebben, dat de schoonheid van Masada hem in zo’n mate in beslag had genomen dat hij het experiment niet meer aandurfde. Met deze trilogie legt Zorn de die critici definitief het zwijgen op. En hoe! De albums getuigen van een virtuoze experimenteerdrift, en leiden tot zo’n geslaagde wisselwerking dat de resultaten voor alle betrokkenen een carrièrehoogtepunt zijn. Dat Six Litanies For Heliogabalus dan ook nog eens het sterkste deel van de reeks is, is de kers op de taart.

Concertbespreking “Moonchild” “Litany V”

Dat was ‘t.

Nog meer lijstjes? Ga es langs bij Secretly Belgian

  • Platen die ik nog moet kopen en een kans maken om in het lijstje terecht te komen: Wilco, Bruce Springsteen, PJ Harvey, Vic Chesnutt
  • Teleurstelling: Feist
  • Live: Neurosis, Zu, Dälek, Elliott Murphy, Nomeansno, en Elvis Costello & Allen Toussaint

Read Full Post »

Ik had de voorbij weken veel gedoe aan m’n hoofd. Geen onvermijdelijke Kerstverplichtingen (Thank God, Hallelujah!), maar gewoon… gedoe. Dingen die ik nog niet had kunnen schrappen op m’n to do-lijstje. Nu zijn ze grotendeels achter de rug. Maar ik slaag er dus nog steeds niet in drukke periodes te combineren met veel blogactiviteit. Hetzelfde als ik moe of slechtgezind ben. Ik heb nochtans wel wat gelezen (later meer daarover), veel muziek beluisterd (morgen volgt m’n persoonlijke Top 20 van het jaar, mét blabla erbij!) zitten nadenken over wat ik kan doen tegen de nakende vervetting nu ik m’n dagelijkse wandeling van/naar het werk niet meer heb, en ook wat films gekeken. Niet bijzonder veel interessante dingen, ondanks de kersttijd, die dankzij o.m. BBC de moeite is. Anderzijds is dit ook het uitgelezen seizoen om onderworpen te worden aan brol. Brol >>> irritatie >>> de ideale Kerststemming. De voorbije week (of tien dagen):

perfectcreature.jpg

Perfect Creature van regisseur Glenn Standring (2006). Veelbelovend op papier, want een Nieuw-Zeelands product uit de stal van New Line Cinema (zie: Lord Of The Rings). Maar wat een teleurstelling. Visueel behoorlijk spectaculair voor een film die in vergelijking met de paradepaardjes van Hollywood eigenlijk een small budget-filmpje is. Qua beelden, kleuren en film noir-achtig schaduwgebruik deed het denken aan Shadow Of The Vampire (met Willem Dafoe), maar terwijl die laatste een boeiend verhaald had aan te bieden, ging het hier om een richtingloos zootje dat nergens op sloeg. Het zat fout met het ritme van de film, het acteerwerk was middelmatig (kon alleszins niet gered worden door een bevallige Saffron Burrows) en nergens wist het een juiste balans te vinden tussen duistere vampierenfilm, hypermoderne actiefilm en irritant gezwets. Geen concurrent voor The Dukes Of Hazzard, met voorsprong de grootste drolfilm die ik dit jaar zag, dat niet, maar naar het einde van de film was ik het begin al vergeten. Dat zegt genoeg. (*1/2)

evilenko.jpg

Evilenko van David Grieco (2004). Deze film is, net als Citizen X, gebaseerd op het leven van de Russische seriemoordenaar Andrei Chikatilo (hier Andrej Romanovic Evilenko), die in de jaren tachtig een paar dozijn vrouwen en kinderen afslachtte. Het interessante aan Citizen X was dat de film grotendeels vertrok vanuit het perspectief van de speurders (en op die manier het gebrekkig functioneren van het politie- en gerechtsapparaat blootlegde), maar dat Evilenko eerder gericht is op de trip van de moordenaar, hier vertolkt door Malcolm McDowell. Die laatste doet heel erg zijn best, misschien wel té, om gestalte te geven aan de zieke geest van Chikatilo, omdat z’n overdreven maniërisme (vertrokken mondbewegingen, tics à volonté, een cartoonesk krakend stemmetje) snel op de zenuwen gaat werken. Net als Citizen X werd Evilenko (wat een lullige titel trouwens) opzettelijk grauw en sober gehouden, wat een goede beslissing blijkt en de geloofwaardigheid enkel ten goede komt. Het probleem is echter dat de film voor de rest geen enkele troef heeft: er wordt nog maar eens stijf geacteerd, de spanning verslapt regelmatig en de held (rechercheur Lesiev), gespeeld door ene Marton Csokas, loopt er maar wat te paraderen met z’n opgezette communistische bast. Stephen Rae was dan nog een bonus bij de andere film. ’t Had zijn momenten, maar niet meer dan dat. (**)

stevesky.jpg

Heel erg verrast door deze debuutfilm van Felix Van Groeningen (2004). Om de één of andere reden verscheen er tussen m’n oren steeds een bordje met de “vermijden”-mededeling als ik deze film tegenkwam. Plots besefte ik echter dat ik de film al die tijd verward had met (het naar verluid inferieure) Shades (van Erik Van Looy), waar ik ooit een stuk van zag dat me totaal niet beviel. Steve + Sky dus. Un amour fou, zoals ze zeggen. Het verhaal is simpel: en ex-boefje papt aan met een ex-hoertje. Zij ziet hem graag, hij houdt de boot liever wat af. Dat is ‘t. Het strekt Van Groeningen dan ook tot eer dat hij meer dan anderhalf uur de aandacht wist vast te houden. De film weet dan ook op alle vlakken tegelijk te imponeren: sterk acteerwerk van de drie hoofdrolspelers (Titus De Voogdt, Delfine Bafort en Johan Heldenbergh) met soms geweldige dialogen (in een sappig Gents, nog steeds het meest onweerstaanbare taaltje van ’t Vlaanderenland wat mij betreft), inventieve cameravoering, waardoor elke scene het bekijken waard is, humor (De Voogdt/Steve die rondjes loopt op een rond punt = een instant classic van de Vlaamse film!!), etc. Het volproppen van de film met creatieve/aparte beelden is waarschijnlijk iets dat typisch is voor een debutant die meteen alle kaarten op tafel wil gooien, maar het resultaat is indrukwekkend en bevat een naturel die een verademing is en talloze beelden die nog een tijd op je (mijn) netvlies gebrand blijven staan. (****)

thesentinel.jpg

The Sentinel van Clark Johnson (2006). Degelijke Michael Douglas, degelijke Kiefer Sutherland, degelijk opgebouwde spanning, degelijk verwerkte knipogen naar The Fugitive, 24 en In The Line Of Fire, degelijke acteurs in degelijke bijrollen, degelijk camerawerk, degelijke actiescènes, degelijke opbouw, degelijk ritme, degelijke ongeloofwaardigheid, degelijke onzin, degelijke verspilling van (degelijk) geld, degelijk vertier voor een vrijdagavond, degelijke tijdverspilling. (**1/2)

borat.jpg

Borat van Larry Charles (2006). Volledige titel: Borat: Cultural Learnings of America for Make Benefit Glorious Nation of Kazakhstan. Borat (Sacha Baron Cohen a.k.a. Ali G) is een Kazachse reporter die tongzoent met zijn zus en naar de USA wordt gestuurd om eens te gaan bekijken wat er voor Kazachstan te leren valt in die grote natie. In deze als documentaire opgesmukte film is het hoofddoel voornamelijk: een ander in de zeik zetten. Doorgaans is dat niet genoeg om me anderhalf uur weten te boeien, en ook in dit geval had ik moeite om de film niet op Pauze te zetten en een dag later verder te kijken, maar de beste momenten zijn zo hilarisch, zo over-the-top, zo onwaarschijnlijk grof en beledigend dat je niet anders kan dan verderkijken in ongeloof. Alles en iedereen moet eraan geloven: feministes, Joden, zwarten, patriotten en ook brave nietsvermoedende burgers. Tot op zekere hoogte kan de film zeker beschouwd worden als een spiegel die een op hol geslagen Westerse samenleving wordt voorgehouden, maar als puntje bij paaltje komt doet het allemaal niet terzake. Baron Cohen is niets minder dan een gek met een suicide mission. Het onwaarschijnlijke van de film is dat hij niet keer op keer wordt afgetuigd, dat hij ondanks zijn ridicule accent, looks, vragen en opmerkingen toch erin slaagt om zijn gesprekspartners en publiek te doen geloven dat hij uiteindelijk een goedbedoelende, arme Kazach is. Klassieke momenten te over: de worstelscène met zijn ultra-corpulente sidekick (meteen gedaan met borrelhapjes kauwen), de Rodeo-speech (een publiek van patriotten vertellen dat hij hoopt dat Bush Irak zo lang bombardeert dat er generaties lang ellende zal zijn), de stront-in-het-zakje-scène, en het moment waarop hij bij een wapenverkoper gaat vragen welk wapen hij zich het best zou aanschaffen om Joden af te knallen (… en hij professioneel advies krijgt). Een aantal stukken zijn overduidelijk in scène gezet, maar zelfs de meest onschuldige die het niet zijn (zoals het aanspreken van wildvreemden op straat), leiden soms tot hilarische beelden. Borat is wat eendimensionaal, maar is ook, net als heel wat andere simpele genoegens, heel erg effectief. (****)

badsanta.jpg

Bad Santa van Terry Zwigoff (2003). Een vriend zei me dat ik deze eens moest bekijken, ook al stelde ik me vragen bij de titel, de cover en het idee dat ik er over had (de zoveelste kleffe Kerstkomedie). Hij had gelijk. Bad Santa is geen eye-opener, geen instant classic, geen Wow!-film, maar wél een aangename verrassing, een Kerstfilm zoals er veel meer zouden moeten zijn, eentje die je graag kijkt op vrijdagavond. Dat het script van de Coen Brothers komt zal er ook mee te maken hebben. Billy Bob Thornton en zijn dwergmaatje slagen er jaar na jaar in om tijdens de Kerstperiode grote winkels op te lichten. Op papier een klassiek oplichtersverhaal, maar eigenlijk draait alles rond de miserabele toestand van de mentaal en fysiek aan lager wal geraakte alcoholicus, Thornton, die de meest onwaarschijnlijke gemeenheden spuit, zichzelf nog meer haat dan de anderen en van opportunisme de überdeugd gemaakt heeft. In dat alles komt verandering (of toch bijna), als hij een klein, dik ventje leert kennen dat ondanks alles blijft geloven dat hij de echte Kerstman is. De film is bij momenten verrassend hard en platvloers, maar bevat tegelijkertijd een, euhm, poëzie, die in geen andere Kerstfilm voorkomt (niet dat ik een expert ben). (****, al is het maar voor de aanwezigheid van Lauren “moeke Gilmore” Graham)

hitchhikersguide.jpg

The Hitchhiker’s Guide To The Galaxy van Garth Jennings (2005), gebaseerd op de in sommige milieus erg populaire cult classic van Douglas Adams. Zoals dat gaat bij een heel pak andere cult classics ben je waarschijnlijk voor of tegen. Legioenen hardcore fans van het boek (of de radio-, strip-, of chocomelversie ervan) stonden waarschijnlijk te drommen bij de première, om te kijken welke favoriete one-liners en grappen wel of niet gebruikt zouden worden in de adaptatie, welke karakters de transformatie al dan niet zouden overleven en hoe die planeet en die nemesis er uit zouden zien, etc. Anderen couldn’t care less. Ik moet toegeven: ik heb het boek nooit gelezen. Ik heb de achterflap gelezen, heb er wat in zitten bladeren en het sprak me niet aan. Ik ben doorgaans geen fan van geeky sci-fi (en neen, een kenner hoeft me niet te komen vertellen welke genres er zijn, De Geschiedenis Van Het Kleurpotlood interesseert me ook niet echt), een wereld die me net wat te vreemd is. In m’n jonge(re) dagen heb ik nog wat gelezen van Terry Pratchett (nee, ik moet niet weten of die al dan niet te vergelijken valt met Douglas Adams), en ook al werkte dat op papier prima, na een tijdje was ik het kotsbeu. Wat de film betreft: geen mens die het boek niet gelezen heeft (en dat moeten er toch wat zijn) gaat me kunnen overtuigen van het feit dat hij goed in elkaar zat. Er zat geen structuur in de film, een groot deel van de grappen was té flauw, het was allemaal van de hak-op-de-tak, anecdotisch en té vrijblijvend. Het zal wel het gevolg zijn van de “aparte” (ik wik en weeg mijn woorden) stijl van het boek, zeker? Maar hey, ik heb het door velen zo bejubelde Dr. Who ook altijd een hoop gezever gevonden. (*1/2)

lifeaquatic.jpg

Een specialleke, deze A Life Aquatic with Steve Zissou van Wes Anderson (2004). Superieure onzin of geschifte genialiteit? Geen idee, maar uitgezonderd David Lynch is er momenteel geen enkele regisseur die voor zo’n Eh?-ervaring kan zorgen als Anderson. Ok, er is nog een verhaal – Bill Murray is Steve Zissou, een Jacques Cousteau-achtig type dat een nieuwe zeereis aanvangt om te gaan jagen op de haai die zijn vriend doodde – maar dat is slechts een skelet waar de film aan wordt opgehangen. En die film bewandelt constant de lijn tussen gedrogeerd, absurd, surrealistisch en vaag herkenbaar. Terwijl je kijkt vraag je af wat je in godsnaam mist, of je een subtext zou moeten herkennen maar er niet in geslaagd bent. Zo stel ik me voor dat iemand die aan de valium zit een doorsnee film ziet: als een kijkervaring die nooit echt ‘gevat’ kan worden. Achteraf is het ook onmogelijk om die sfeer en ervaring opnieuw te vatten, enkel het gevoel blijft over. Het zorgt er enerzijds voor dat je eindelijk nog eens een unieke film te zien krijgt, anderzijds is er een frustratie omdat je met lege handen achterblijft. Bill Murray is bijna even goed als in Lost In Translation,  en krijgt uitstekend weerwerk van o.m. Willem Defoe, Anjelica Huston, Owen Wilson, Cate Blanchett en Michael Gambon. Vooral visueel is de film een aanrader, de 70s stijl zag er nooit zo onherkenbaar bekend uit. Cartoonesk kleurrijk en surreeël tegelijk. (***1/2)

vforvendetta.jpg

Opnieuw een verrassing, deze V For Vendetta van James McTeigue (2006). Na vijf minuten had ik zin om ‘m al af te zetten (“wat een theatraal neo-Phantom Of The Opera-achtig gezwets”). Toch blijven kijken en daar voor beloond geworden. V For Vendetta wil veel dingen tegelijk zijn: een wrekersverhaal, een actiefilm en een politieke dystopie. Het speelt zich af in het Londen van een nabije toekomst die in het teken van een totalitaire dictatuur staat. Blijkbaar hebben revoluties, oorlogen en zuiveringen ervoor gezorgd dat alles wat staatsvreemd is werd verwijderd. Er is een avondklok, er is censuur. Er is ook een rebel, de gemaskerde “V”, die aankondigt dat hij binnen een jaar, tijdens Guy Fawkes’ Night, het Parlement zal opblazen en zo een symbolische daad stellen. Het heeft iets van Orwells 1984, iets van Brave New World, iets van Rupert Thomsons Divided Kingdom (een recensie) en gaat amper verhulde kritiek op het hedendaagse internationale beleid van grootmachten als de USA niet uit de weg. Aan de oppervlakte een flashy actiefilm dus (met weinig, maar wel extreem straf in beeld gebrachte geweldscènes), maar daaronder ook een geladen aanklacht. Natalie Portman is niet groots maar overstijgt haar reputatie van lichtgewicht, maar het zijn de andere personages die voor het genot zorgen: Hugo Weaving (die het moet doen met stem en masker), Stephen Fry (altijd goed), Stephen Rae (altijd onweerstaanbaar verveeld) en een briesende John Hurt als dictator (knipoog van formaat, aangezien hij twee decennia geleden nog Winston Smith speelde in de verfilming van 1984). V For Vendetta is een flashy, barokke, kleurrijke en hypermoderne film die de genrebeperkingen moeiteloos overstijgt en zo zorgt voor prima, verantwoord (bwaha) entertainment. Verfrissend en met als bonus fijne muziek van o.m. Getz & Gilberto, The Rolling Stones, Cat Power en Spiritualized. (****)

Read Full Post »

Ho-ho-ho

chickenfalala.jpg

Read Full Post »

Older Posts »

%d bloggers liken dit: