Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for januari, 2008

hooray.jpg

Begin deze week The Wire 4 in huis gehaald (intussen halverwege) en vandaag de nieuwe Drive-By Truckers, Brighter Than Creation’s Dark. Bij deze ziet mijn weekend er veelbelovender uit dan het uwe!

Dat gezegd zijnde heb ik me ook voorgenomen dit weekend een kleine inhaalbeweging te maken op deze online zevergazet. Ik las nog wat boeken, zag nog wat films, kocht nog wat platen, hoorde nog wat onzin her en der.

NP: Drive-By Truckers – Brighter Than Creation’s Dark

dbt.jpg

Advertenties

Read Full Post »

Of ik het zelf mocht doen? “Tuurlijk, geen probleem!”. Gelukkig. De laatste die een thermometer in m’n kont stak was m’n moeder (hi, mom!) en ook al kan ik er geen vage datum, zelfs geen jaar, op plakken, het moet ergens einde jaren zeventig geweest zijn. Ik kan me zelfs nog herinneren dat ze het deed (en geen rekening hield met mijn nochtans duidelijk geformuleerde wensen), net als ik me nog kon herinneren hoe ik tot op m’n kamer kon horen hoe de eindtune van Panorama gevolgd werd door de begintune van Dallas op donderdagavond.

Het heeft iets beschamends, het rectaal meten van je temperatuur, maar hey, “het is de meest betrouwbare manier, meneer”. En blijkbaar was het niet zo’n slechte beslissing geweest van mijn vriendin om me op zondagavond mee te slepen naar de spoedafdeling van het lokale ziekenhuis. De rectale score: 40.3°. Dagrecord! Nog een halve graad hoger dan de topscores die ik de uren ervoor in eigen huiskamer gemeten had. Blimey! Geen reden tot paniek, maar zowel de verpleger die me de thermometer aanreikte en vervolgens erg bedreven bleek in het aftappen van een stuk of acht flesjes bloed, als de aanwezige arts hadden na een oppervlakkig onderzoek en een resem vragen niet meteen een verklaring voor de hoge koorts. Dat ze niet gepaard ging met mensonterende pijn en hysterisch gebrul was al iets.

Voor de zekerheid (“uw bovenlichaam lijkt wat gevoelig”) toch maar naar de eerste verdieping om foto’s te laten nemen van de longen (“zuiver”, ja ook ik onthaalde dit met een grimlach van ongeloof) en een echoscopie die uitsloot dat er iets scheelde met nieren en/of darmen. De dokter hield het maar bij een nog onduidelijke bacteriële infectie, waarschijnlijk van de luchtwegen, waarvan enkele symptomen plots overweldigend waren komen opzetten. Antibiotica (Augmentin 1gr, ook bekend als “Retard”) en Dafalgan 1000 zouden me wel snel erbovenop helpen. Klopt, maar ik heb die eerste zesendertig uur verdomme wel genoeg gezweet en gerild om me iets te kunnen voorstellen bij een loopgravenoorlog.

Sinds dinsdagochtend vormen rijen letters opnieuw woorden, sinds gisterenavond is de koorts verdwenen, sinds vandaag lijkt het alsof ik zit met een ordinaire valling: keelpijn, slijm, hoesten, the works. Hopelijk ben ik dit weekend van die ellende verlost.

brotzlive.jpg

(foto © Hannes Reisinger) 

Het kan natuurlijk ook zijn dat ik zaterdag had moeten wegblijven uit De Werf in Brugge, want wat zich daar afspeelde was ook geen alledaagse kost. De Duitse freejazzgigant Peter Brötzmann was er immers neergestreken met bassist Marino Pliakas en drummer Michael Wertmüller (de jongelingen met wie hij het aanbevelenswaardige sloopfestijn Full Blast (2006) opnam). Ik zag Brötzmann voor het eerst aan het werk in het STUK in Leuven rond 1995. Ik kende ’s mans legendarische mijlpaal Machine Gun (1968), tot de dag van vandaag één van de meest extreme platen in m’n kast, maar toch werd ik volledig weggeblazen door de primaire oplawaai die hij verkocht. Het is een saxofonist (sopraan, alt, tenor, bariton, maar ook basklarinet en tarogato), maar je hebt niet veel tijd nodig om te beseffen waarom hij al snel “het monster van Wüppertal” werd genoemd. Het klinkt immers alsof hij dat instrument gewoon wil kapotblazen. Met die gestuikte gedrongenheid, Teutoonse karakterkop en die enorme kaken ziet hij er dan ook nog eens uit alsof het een fluitje van een cent zou zijn.

Bij een eerste beluistering is het volume, de brute overweldiging, wat het meeste opvalt. Notenreeksen worden afgevuurd als waren het kogels, er ontstaan geluiden die voor velen niets te maken zouden mogen hebben met muziek, het is lelijkheid troef. Anti-muziek. En toch, er is meer dan dat gaande. Brötzmanns Sturm & Drang mist misschien wel de carnivaleske invalshoeken van Albert Ayler, zijn grote Amerikaanse voorganger, en is daardoor misschien typisch Duits, haast militaristisch rigide, maar pas na enkele minuten wordt het duidelijk dat notenkotserij wordt vervangen door gecontroleerde emotie, thematische cohesie en een straf spel met dynamiek. Ik heb geen jazz gestudeerd, ik ken geen bal van muziektheorie, maar dat maakt ook geen reet uit om iets te kunnen van de impact van Brötzmanns muziek. Het is een spel van instinct en temperament, van woest om zich heen kloppen, maar nu en dan ook van overweldigende emotie, rauwheid en, durf ik dat woord nog gebruiken: puurheid.

En vooral: het is muziek die geen kloten aandacht besteed aan concepten als conventie, matiging en toegankelijkheid. Hey, begrijp me niet verkeerd, ik ben ook een fan van klassieke, ‘normale’, verteerbare, catchy, aanstekelijke popmuziek, rock, soul, country en hier en daar zelfs wat kitsch, maar soms… zo heel soms mag het gewoonweg ietsje meer zijn. Soms wil je mensen aan het werk horen die buiten de lijntjes kleuren, die lak hebben aan verwachtingen, die je nog een uitdaging bieden, die je van je stoel lellen, die je in het kruis stampen met combats, die tonen dat er nog muziek bestaat die wordt gemaakt op leven en dood. Of toch zo klinkt. Hard en gemeen en echt en tastbaar als het leven. Humorloos is de muziek niet, maar ze moet het niet hebben van kinderachtige spielereien of hippe knipogen. Alles staat in het teken van emotie, kracht en intensiteit. En die intensiteit moet niet steeds een synoniem zijn voor kabaal en een decibelmeter die het bijna begeeft. Brötzmann speelde op z’n eentje ook “Master Of A Small House” (met wat vage geluiden van de bassist op de achtergrond), en dit rustpunt, deze melancholische klaagzang, was een van de hoogtepunten van het optreden.

Het beste werd echter bewaard voor het laatste van de set, want waarmee werd afgesloten deed denken aan de hoogdagen van Last Exit, de freejazznoiseband die Brötzmann oprichtte met gitarist Sonny Sharrock (nog zo’n held), bassist Bill Laswell en drummer Ronald Shannon Jackson. Als ik denk aan synoniemen als ‘uitputtend’, ‘uitdagend’, ‘heavy’, dan denk ik aan die band. Hoeveel ik ook van Slayer hou, hun metal is ronduit mieterig in vergelijking met het geschifte gedoe dat Last Exit in de tweede helft van de jaren tachtig op poten en platen zette. Pliakas en Wertmüller zijn (nog) niet zo’n ronkende namen als Laswell/Shannon Jackson, maar wat ze lieten kijken/horen – zo’n arsenaal aan geluiden en stijlen, zo’n flexibiliteit en kracht – was ronduit verbijsterend. Uiteindelijk werd de show echter gedomineerd door de zesenzestigjarige saxofonist die nog altijd speelt als een kolos in de, euh, fleur van zijn leven en met een longinhoud die Frederik Deburghgraeve met het schaamrood op de kaken de coulissen in jaagt. Het was als het beste punkoptreden in jaren dat je zag, maar dan met muzikanten die net een stapje of drie verder kunnen gaan.

Op plaat werkt het niet steeds even goed, dit soort moeilijkdoenerij. Ik leg regelmatig een plaat op van Brötzmann, en heb er vorige week ook nog wat besteld (o.a. de reissue van de 3CD Chicago Octet/Tentet-box, hooray!), maar het is geen spul voor elke dag. Daarvoor is het soms wat vermoeiend. Maar live is het wel elke keer raak, een belevenis die me eraan herinnert waarom ik ooit besloten heb zo intensief met muziek om te gaan. Het is wat jammer dat ik dit soort kicks steeds minder krijg bij optredens en dat het zich meer blijkt voor te doen bij artiesten die radicaal buiten de lijntjes kleuren, maar so be it. Je weet meteen ook weer dat artistieke luiheid en de productie van slappe kak vervangen kunnen worden door vitale, levensbevestigende muziek. Die muziek mag zich dan wel onder het oppervlak en/of in de marge bevinden, al zou iedereen af en toe eens uit z’n zetel moeten komen en de sprong wagen. Als het moet blijven bij de met paplepel en suppositoire toegediende onzin op tv, de radio, de media tout court, ja dan kan ik me evengoed meteen door de kop knallen. Het zou die verdomde koppijn alleszins wegwerken. Ha!

NP: Dead Kennedys – Plastic Surgery Disasters (“RIOT!”) en Guided By Voices – Under The Bushes, Under The Stars

deadkenndys.jpggbv.jpg

Read Full Post »

Vandag begeef ik me rond 16u vanuit Brussel-centrum op weg naar Limburg. Eerst door de Belliardtunnel via de E40 tot Leuven, daarna via de E314 verder naar het oosten en vanaf het klaverblad in Lummen via de E313 richting Luik. Ik zal me deze keer niet in de zeik laten zetten door opdringerige kontplakkers, opgefokte bouwvakkerscamionetten die volgeladen met zes man en 300kg materiaal toch 135 km/u willen nastreven en andere Evel Knievels die het niet kunnen laten om te spelen met hun grote lichten als ze met hun carwashfrisse leasewagens geen vrije passage krijgen tegen 140km/u. Bij uitbreiding geldt ook voor agressieve chauffeurs van een Mercedes, BMW, Volvo of Audi (alsook de vlottere VW’s en Peugeots) een waakzaamheidsalarm. Ik heb er stilaan genoeg van om tijdens mijn wekelijkse rit naar het hinterland voor hartritmestoornissen te moeten vrezen en ik zal er ook alles aan doen om jullie dag te verzuren. Desnoods via een spetterende finale tegen een betonnen paal. Die kunnen ertegen. Jullie zijn gewaarschuwd.

Read Full Post »

assault.jpg

… de remake (2005) van Jean-François Richet. Het origineel uit 1976 van John Carpenter staat de dag van vandaag geboekstaafd als een bescheiden cultklassieker en eigenlijk is het ook duidelijk waarom het nooit dat status heeft overstegen (of: verrassend waarom het dat toch geworden is, zo u wil). Ik ben de laatste om gebrek aan (commercieel) succes te koppelen aan gebrek aan kwaliteit, maar bij veel films (of platen, of keukenrobots of BV’s) die de stempel van cult classic toegekend krijgen, lijkt me dat een flauw excuus om een beperkt aantal interessante aspecten wat sterk in de verf te zetten of als beloning omdat de film aanslaat bij een deelpubliek dat de film om wat voor reden dan ook op handen draagt.

Ja, Carpenters moderne western is een leutige film en ja, er gebeuren dingen in die midden jaren zeventig nog geen intrede hadden gemaakt in de mainstream cinema, maar kan je spreken van een echt overtuigende film? Een, ik zeg maar iets, The Taking Of Pelham 123? Een Dirty Harry of The Warriors? Ik dacht het niet. En hetzelfde geldt eigenlijk ook, maar dan in mindere mate, voor Halloween, nog zo’n tot icoon gebombardeerde film die destijds wel behoorlijk origineel was, maar de tand des tijds eigenlijk bijzonder slecht wist te doorstaan. Grote klasse blijft intrigeren.

Dat orgineel werd gedraaid met een zo goed als onbestaand budget en belabberde B-acteurs. De remake pakt het wat grootser aan en de cast is behoorlijk sterk: Ethan Hawke, Laurence Fishburne, Gabriel Byrne (The Usual Suspects!), Maria Bello (A History Of Violence!), Drea de Matteo (Sopranos!) en Brian Dennehy (lang geleden!). Maar helaas: het leidt niet tot een bevredigende film. Meer nog: door de duurdere verpakking wordt de fletse inhoud sterker in de verf gezet en wordt de waarde van de originele B-film duidelijk.

Als er wordt gerotzooid met grote budgetten die een regisseur de kans geven om uit te pakken  met flashy in beeld gebrachte explosies en stunts, visuele hoogstandjes en andere tralala, dan valt het wel heel erg op als je de ene na de andere onwaarschijnlijkheid krijgt voorgeschoteld en dialogen te horen krijgt die amper het imbeciele overstijgen. In een bescheiden project wijt je het aan een beperkt budget, in dit geval aan amateurisme of luiheid.

Precinct 13 is een politiekantoor dat bijna gesloten wordt en geleid wordt door sergeant Ethan Hawke, die sinds zijn collega’s acht maanden geleden omkwamen bij een mislukte drugtransactie, slecht nog een schim van zichzelf is. Door zijn verwondingen en een knoert van een schuldgevoel is hij zijn lef kwijtgespeeld. Het is oudejaarsavond en er woeit een sneeuwstorm over Detroit. Die is zo extreem dat een bus gevangenen halt houdt bij het kantoor om de gevangenen er voor een nacht in bewaring te houden.

Een van die gevangenen is de ijskoude Laurence Fishburne, een zware jongen die pas werd aangehouden voor de moord op een flik. Met tegenzin aanvaard Hawke dat de gevangen in zijn onderbemand kantoor worden ondergrbracht. Terecht, want niet snel erna blijkt dat het kantoor omsingeld is door mannen met wapens, nachtrbillen en allerhande hi-tech stuff en dat de stroom afgeschakeld is en de radio’s onklaar gemaakt. Afgesneden van de wereld, dus. Paniek!

Aanvankelijk wordt gedacht dat het de vrienden van de gangster zijn die hem komen bevrijden (zoals het ging in het origineel), maar hier is er een twist gekomen: het zijn de flikken die hem wilen uitschakelen. Niet omdat ze de cop killer een kopje kleiner willen maken, maar omdat die zou getuigen over hun corruptie. En dat leidt naturlijk tot tactische spelletjes, schietpartijen, geschreeuw, geruzie, gezever, veel doden en een mol in het spel. En vooral lullige dialogen die een staalkaart bieden van Het Grote Boek Der Actieclichés. Knipogen (in het origineel heette de held Bishop, hier is dat de “slechterik”) kunnen de boel ook niet redden.

Fishburne en Hawke geraken er nog mee weg dankzij hun redelijk ingetogen acteerwerk, maar de rest wordt gerecudeerd tot dummies zonder echte functie. Hier en daar wordt geprobeerd een lichtvoetige toets binnen te smokkelen in het verhaal, maar tevergeefs, deze remake smaakt belegen. Carpenters versie had de camp die je nog met de mantel der liefde kon bedekken, en er was nog die vreemde elektronische muziek (later veel beter aangewend in The Thing), die het onderscheidde van het gros van de actiefilms van zijn tijd. Bij de 2005-versie is het de middelmaat die de klok slaat. Opnieuw en opnieuw en opnieuw. Vandaar dat uiteindelijk meer te genieten valt van het knullige origineel dan van deze zielloze herhalingsoefening waar geen mens wat aan heeft. (*1/2)

NP: Willie Nelson – Theatro

willienelson.jpg

Read Full Post »

thankyouforsmoking.jpg

Gezien: Thank You For Smoking (2005), een pittige, politiek en moreel incorrecte satire zoals er niet genoeg kunnen zijn. Geregisseerd door Jason Reitman, die met zijn regiedebuut meteen het bekendste werk van zijn vader Ivan overklaste. Of staan Ghostbusters, Twins en Kindergarten Cop nog in uw favorietenlijstje? Juniors film is slim, snel, staat stijf van de nicotine en vooral: zeer grappig. Aaron Eckhart speelt met zichtbaar genoegen Nick Naylor, het mediagezicht van de Academy Of Tobacco Studies, een bullshitterm voor de tabaklobby. Hij is degene die met een pokerface komt vertellen dat roken helemaal niet zo gevaarlijk is, en dat door elke discussie erover van meet of aan in de kiem te smoren of een sarcastische draai te geven in zijn voordeel. 

Als getalenteerde zwanzer weet hij immers waar het bij overtuigen van mensen om draait: niet om de waarheid, maar om het gelijk. Zoals hij het aan zijn zoontje uitlegt: het doet er eigenlijk niet toe of sigaretten al dan niet kankerverwekkend zijn, of dat die of die drug schadelijker is dan de andere. Het komt er enkel op aan de redenering van de gesprekspartner in diskrediet te stellen. Als A en B tegenovergestelde uitgangsposities innemen en positie A wordt onderuit gehaald, dan moet B wel gelijk hebben. Eckhart speelt die rol met een onwaarschijnlijke verve en verbluffend zelfvertrouwen: zo ziet hij er niet tegenop om tijdens een talkshow de confrontatie aan te gaan met afvaardigingen van vijandige drukkingsgroepen die zelfs een cancer boy inschakelen. Hij pakt ze één voor één in met gladde woorden en een lepe grijns. 

Zijn nieuwe opdracht is het herintroduceren van de sigaret in Hollywood. Roken moet opnieuw cool worden en dat kan het best door de filmsterren ook terug aan het roken te krijgen. Voorzien van een miljoenenbudget trekt hij naar Hollywood, terwijl hij intussen ook de originele Marlboro Man nog wat zwijggeld bezorgt, zijn privé-leven op orde probeert te krijgen, in de luren wordt gelegd door een overambitieuze journaliste en het slachtoffer wordt van een ontvoering. Zelfs dan kan hij echter niet anders dan de tabaksindustrie verdedigen, hij is immers geboren om de werkelijkheid een draai te geven in zijn voordeel. 

Van voor tot achter steekt de film weldoordacht en vlot in elkaar (de begingeneriek met de sigarettenpakjes alleen al kondigde aan dat het een goede film zou worden), al is er één scène die er torenhoog boven uitsteekt: samen met de woordvoerders van de alcohol- en wapenlobby (de MOD-squad, Merchants Of Death) komt hij regelmatig samen om hun laatste wapenfeiten te besprekingen. De scène waarbij ze elkaar de loef afsteken over hoeveel slachtoffers hun product per jaar maakt is hilarisch (de 11.000 wapendoden worden snoeverig weggehoond), zwarte humor op z’n best. 

Er wordt sterk weerwerk geboden door Robert Duvall (als tabaksmogul), Sam Elliott (Marlboro Man), J.K. Simmons (Eckharts hilarisch brullende overste) en William H. Macy, een ietwat zielige senator die in Eckhart de baarlijke duivel ziet, maar de show wordt gestolen door Eckhart zelf, die de rol met zoveel goesting speelt dat je je gaat afvragen of hij zijn eigen onzin zelf gelooft. Visueel knap, met een orginele invalshoek, sterke acteurs en humor die ik niet had verwacht van een Reitman. Thank You For Smoking is verrassend frisse cinema die, sigaretten, bier en burgers in aanslag, waarschijnlijk nog beter werkt in combinatie met Super Size Me. (****) 

NP: Aerosmith – Toys In The Attic (yep)

aerosmith.jpg

Read Full Post »

johnq.jpg

Na The Devil Wears Prada over de wereld van de oppervlakkigheid en de betere accessoires was ik toe aan oprechtheid. Menselijkheid. Emotie. Herkenbaarheid. Geen bordkartonnen figuren, maar mensen van vlees en bloed. En kijk: er was een film van Nick Cassavetes op tv. Nick is de zoon van John, een van de vergeten helden van de (onafhankelijke) Amerikaanse cinema van de jaren zestig/zeventig.  Bekijk zijn films opnieuw – begin bij A Woman Under The Unfluence en Minnie And Moskowitz – en laat u overrompelen door zijn unieke, realistische stijl, die een voorloper lijkt van de uitgebeende kortverhalen die Raymond Carver niet veel later zou schrijven.

Ik heb altijd een zwak gehad voor Unhook The Stars (1996), het regiedebuut van Nick met Gena Rowlands (zijn moeder), Marisa Tomei en Gérard Depardieu. Het was de betere emo-cinema, even herkenbaar als zijn vaders films, maar met net dat extra laagje Hollywood-sentiment erbovenop. John Q. (2002) kan alleszins een sterrencast voorleggen: Denzel Washington, Robert Duvall, Ray Liotta, James Woods, Anne Heche. Allemaal in één film! Helaas levert de som van deze ronkende namen geen prachtprent op maar een sentimentele, ongeloofwaardige en zelfs goedkope brok emo-brol.

Washingtons zoontje valt tijdens een baseballwedstrijd tegen de grond en blijkt een hartziekte te hebben. Als hij geen nieuw hart krijgt is het een kwestie van maanden, weken of misschien zelfs dagen voor zijn hart het begeeft. Het problem is dat een transplantatie duur is en dat een derde van het bedrag (75.000 dollar) cash betaald moet worden om zelfs maar op de donorlijst te komen. Washington klopt aan bij zijn verzekering, die echter een achterpoortje vindt om eronderuit te muizen en hem boudweg meedeelt dat hij kan rekenen op max. 20.000 dollar. Vanaf dan is het zoals de slogan op de filmposter blokletterde: “Give a father no options and you leave him no choice”.

Washington vindt er niets anders op dan gewapend het ziekenhuis binnen te dringen en de mensen op de spoedafdeling te gijzelen. Tot daar is het een beetje vergelijkbaar met de wanhoopsdaad van Al Pacino in 70s classic Dog Day Afternoon (dat is een aanrader!), maar daar houdt het ook op. Niet alleen wordt de ene onwaarschijnlijkheid op de andere gestapeld, Washington krijgt meteen zowat alle buitenstaanders op de hand en krijgt het allemaal veel te mooi uitgelegd. Wat een mooie, terechte aanklacht tegen het Amerikaanse gezondheidssysteem had kunnen worden (en dan nog met een persoonlijke dimensie, aangezien Cassavetes’ eigen dochter ook op een donorlijst stond) verzandt echter snel in een ultramoraliserend, ultrasentimenteel en ultra-ongenuanceerd zootje.

In elke scène wordt menselijke emotie ten volle uitgebuit, aangedikt en eigenlijk (wat mij betreft) geridiculiseerd. Het maakt de centrale gedachte (ongelijkheid/onrecht) er niet minder prangend om, al is het wel jammer dat zo’n zwaar thema op dergelijke betuttelende en artificiële manier wordt behandeld. Iedereen wordt beschouwd als een opportunistische zak, behalve Washington, het baken van common sense die met een geweer de wereld zou willen veranderen. Het ironische van het hele zootje: Washington is ronduit indrukwekkend. Als hij jankt, zijn onmacht uitbrult of zijn tegenstanders (uit alle hoeken) aanstaart met een vurige intensiteit, dan voel je gewoon de goede intenties.

Het kan echter niet baten: het script, de regisseur, de cameralui en de muziek doen er werkelijk alles aan om de boodschap zonder enige nuance duidelijk te maken. Het is als Rambo, maar dan in tearjerker-formaat. Uppercuts, de ene na de andere. Daar komt nog bij dat de nevenpersonages niet meer zijn dan wandelende clichés en dat zelfs kanonnen als James Woods en Ray Liotta (en, in mindere mate, Duvall) hopeloos verloren lopen tussen zoveel stroperigheid. (*1/2)

NP: Sugar – Copper Blue

sugarcopperblue.jpg

Read Full Post »

devilwearsprada.jpg

Mijn vriendin kwam ermee af. Het zou een goede komedie zijn. Dat had ze ergens gelezen, maar ze wist niet meer waar. Ik vraag het me ook af, want goed anderhalf uur later kon ik nogmaals terugblikken op nutteloos verspilde tijd. The Devil Wears Prada is een onbenullige, voorspelbare, onnozele derderangskomedie die niet grappig is. Geregisseerd door David Frankel, vooral bekend van Sex And The City, die reeks voor slimme, sterke, onafhankelijke vrouwen die me doorgaans ook enkel op de zenuwen werkt (hey, ik ben dan ook geen etc…).

Kort: naief mieke (de mij onbekende Anne Hathaway) trekt naar New York City om het er te maken als journaliste, maar komt terecht bij het modemagazine Runway, waar ze de assistente wordt van de door iedereen gevreesde Miranda Priestley (Meryl Streep), een omhooggevallen stuk chic dat geen tegenspraak duldt en er een sport van maakt het gepeupel te behandelen als tweederangsburgers. Naief mieke weet zich gaandeweg vertrouwd te maken met de grillen van de bazin en de modewereld en laat vriendschappen, principes en lief stikken voor ambitie. Uiteindelijk ontdekt naief mieke natuurlijk dat echte schoonheid vanbinnen zit (!) en dat ze met die wereld niets te maken wil hebben.

Damn. Ik heb tussen twee en drie keer kunnen glimlachen, voor de rest is het huilen bij zoveel moraliserend geleuter en knipogen bij het te kakken zetten van een wereldje waarvan iedereen al lang weet dat het bevolkt wordt door kolossale ego’s die heelder naties wijsgemaakt hebben dat ze iets te vertellen hebben over het reilen en zeilen van de mensheid. Laatst hoorde ik iemand hetzelfde beweren over de meest recente couture (koetoë) van modegod John Galliano. Het was ergens een reflectie, een contemplatie over de werkelijheid, de wisselwerking tussen mens, maatschappij en mode, dat soort onzin.

Enfin ja, what’s new? Meryl Streep is best goed als onderkoelde teef (het is eens iets anders dan haar moekesrollen), maar de rest staat er maar wat enthousiast en/of mooi te wezen. En mijn tijd te verknoeien. (*)

NP: Fugazi – Repeater

fugazi.jpg

Read Full Post »

Older Posts »

%d bloggers liken dit: