Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for juni, 2009

sennheiser

’t Duurde welgeteld 17 seconden voor die oortjes (nochtans ook Sennheiser) terug in een lade belandden.

NP: Mississippi John Hurt – The Best of Mississippi John Hurt (maar eigenlijk de ‘1928 Okeh’-sessies)

Advertenties

Read Full Post »

theshield7’t Zit erop. The Shield is voorbij en het was een opwindende rit. Wie afhaakte na enkele episodes of seizoenen, die heeft ook nu geen reden om plots terug de draad op te pikken. The Shield is een serie die best van al werkt in z’n totaliteit en hoe sneller je de afleveringen/seizoenen op mekaar kan laten volgen, hoe beter. Dit hoef je niet te laten bezinken. De serie mist het droge realisme en het subtiele drama van The Wire, maar als het aankomt op pure adrenaline, dan is dit slotseizoen een schot in de roos. Fans van Hill Street Blues en NYPD Blue hadden dit vast niet zien aankomen.

Alles staat in het teken van de volledige desintegratie. Dertien afleveringen lang (de laatste verdeeld in twee delen) levert anti-held/cop from hell Vic Mackey een strijd tegen de klok, terwijl hij in steeds nauwere schoentjes gedreven wordt: de strijd om wat er nog van het strike team overblijft wordt een smerige tragedie, het verraad van zijn vroegere vertrouwenspersoon heeft hem persona non grata gemaakt bij criminelen die van moord en mutilatie geen punt maken en op het thuisfront staat het er amper beter voor.

Geen opgemerkte gastrollen, zoals dat in vorige seizoenen het geval was met Glenn Close, Forest Whitaker en Franka Potente (die stuk voor stuk indruk maakten), de focus is volledig gericht op de dolgedraaide action man. Het werk dat hij weet te verzetten is ronduit idioot, en slapen en eten lijkt iets voor mietjes, maar de performance is zo nerveus en intens en doordrongen van woede en vastberadenheid dat je je als kijker haast betrokken gaat voelen bij een klopjacht op leven en dood. De gejaagdheid voelbaar maken, dàt is de grootste toef van The Shield.

Politie, misdaad en politiek zijn rot en corrupt en leveren allemaal hun bijdrage aan de forse dosis geweld die van het scherm spat, maar ook de ‘kleinere’ verhalen leveren steevast een bijdrage die de serie wat nuancering bezorgt, of het nu gaat om de gezondheidsproblemen van de korpschef, de jacht op een potentiële seriemoordenaar of de subplots die in elke aflevering opduiken.

Seizoen 7 is hard en gewelddadig en meer dan ooit is de visuele stijl, met die vreemde camerastandpunten, grillig botsende schoudercamera en ruwe montage, de perfecte verpakking voor al die vunzige rottigheid. De serie raast naar zijn onvermijdelijke (en toepasselijke) conclusie met een rotvaart, kent amper inzinkingen (tenzij na aan aflevering of ach/negen, als het verhaal rond de verrader wat te lang gerokken wordt) en vooral: weet je als geen ander naar het puntje van je stoel te sturen. Rauw, opwindend en in your face. En zoals ergens al te lezen viel: wat jammer dat je niet meer kan lullen over een ‘armenian money train’, ‘byz lats’, ‘one-niners’ en andere onzin. (****1/2)

NP: Serge Chaloff – Blue Serge

Read Full Post »

voivodDrie weken nadat Brutal Truth de Aalsterse metalbarak Negasonic overrompelde met zeventig minuten virtuoze grindcore was ’t opnieuw prijs. Deze keer was het Voivod dat de verwachtingen moeiteloos overtrof, wat het des te spijtiger maakt dat de groep er hoogstwaarschijnlijk mee ophoudt na deze tour (of dat heb ik toch van horen zeggen). Enfin ja, ’t was een geslaagde concertnamiddag en -avond, daar in het Antwerpse:

Geen idee hoe ze het voor mekaar brengen, zo vroeg op de dag, maar de drie van Moroccan verspilden geen seconde aan overbodig gehannes en bezorgden de eerste aanwezigen een kopstoot van jewelste. We herkenden volk van Officer Jones And His Patrol Car Problems (RIP) en het uit de assen van die band verrezen We’re Wolves, maar die laatsten zagen we nooit zo resoluut de geweldkaart trekken. Moroccan rochelde van alle subtiliteit ontdane beukrock op, met het soortelijk gewicht van sludge, de agressie van harcore en een Vlaams gebrek aan pretentie. Heavy shit dus, gebald en overtuigend, ideaal om de kringspieren op de proef te stellen en een uitstekende opener.

Tweemansformatie Sardonis mocht voor de tweede keer in een half jaar aantreden in het voorprogramma van Torche een kweet zich opnieuw met verve van z’n taak. ’t Zag er een beetje eenzaam uit voor de baardmannen, maar dat weerhield hen er niet van om uit te pakken met een stevig potje doom metal die het brakke land tussen High On Fire, Black Sabbath en Yob verkent. Het materiaal uit de titelloze debuut-EP klonk intussen vertrouwd, al zorgde het nieuwe werk, met uitstapjes richting thrash, voor de nodige afwisseling. De sound heeft z’n beperkingen, maar als de gerekte afsluiter een indicatie is, dan wordt de voor het najaar aangekondigde debuutplaat eentje om naar uit te kijken.

Oathbreaker is aardig op weg om een kleine revelatie in het soms wat incestueuze Vlaamse hardcorewereldje te worden. Vernieuwend is de band nergens, al wordt er hier en daar voorzichtig gespeeld met structuren en elementen die afwijken van de platgetreden paden die van veel hardcore zo’n duffe, monotone boel maken. Vielen vooral op: het imposante gitaarspel van Lennart Bossu (zie oo: Amenra) en frontvrouw Caro, die haar fragiele fysiek en verlegen meisjescharme wist te compenseren met verrassend grofkorrelig gekeel. Kortom: een vrouw naar ons hart.

Het was duidelijk dat een groot deel van het publiek opgedaagd was voor Kylesa. Dit vijftal met twee drummers in de gelederen scoorde enkele maanden geleden hoge ogen met Static Tensions, een brute en tegelijkertijd catchy symbiose van hardcore punk, classic rock en stoner metal, waarmee steeds meer zieltjes gewonnen worden. Zanger/gitarist Phillip Cope (tevens producer van het album) was wegens douaneproblemen helaas niet van de partij, maar dat liet het kwartet zich niet aan het hart komen. Meer nog: Kylesa zorgde voor een explosieve, van de adrenaline stijf staande set waarin blues, metal, punk en rock samengesmolten werden tot een aanstekelijk, smerig potje turborock. Gitariste Laura Pleasants zat er vocaal regelmatig langs, maar maakte indruk met potig gitaarwerk en werd gesteund door een ritmesectie die vooral de term ‘the Southern Melvins’ introduceerde.

Torche is een band waar je moeilijk niet van kan houden. Ze houden er een fenomenale werkethiek op na, brachten met Meanderthal een bijzonder geslaagde tweede plaat uit en weten een fijn evenwicht te vinden tussen brute kracht en toegankelijkheid. Het is geen stonerrock, geen alternatieve rock, geen hardrock, geen metal, en toch heeft het wat van dat alles. En vooral: de band speelt met zo veel energie en enthousiasme dat alle kleine gebreken meteen van tafel geveegd worden. De vuisten gingen voor het eerst collectief de lucht in, en terecht. Torche zal met zijn gespierde werkmansrock ongetwijfeld nog (meer) potten breken.

Met Coalesce had de Trix nog een zwaargewicht binnengehaald. Het Amerikaanse gezelschap speelde in het vorige decennium al een vorm van mathcore voor daar sprake van was en de invloed is merkbaar te voelen in het uitgebreide legertje herriebands dat dezer dagen hectische hardcore-uitspattingen aan woeste metalfusillades probeert te koppelen. Kers op de taart: het was de eerste keer dat de band verscheen op een Belgisch podium, wardoor ze met de nodige egards en een enthousiast publiek werden onthaald. De eerste twintig minuten werd meteen uitgepakt met een verschroeiende energie, waarbij zweet en ledematen in het rond vlogen. De band speelde als een stel bezetenen, retestrak en agressief, en weigerde om het energiepeil te laten zakken. Ideale kost voor de adrenalinejunks, al vonden wij het jammer dat de dynamiek en diversiteit van het net verschenen Ox niet echt uit de verf kwam.

En dan Voivod. Het werd al snel duidelijk dat weinigen op het Canadese kwartet zaten te wachten, maar zij die bleven werden getrakteerd op een onverhoopt succes. Nochtans was het een concert dat bij voorbaat ronkte van de onzekerheden. De legendarische formatie zorgde voor enkele van de meest avontuurlijke metalwerken van de jaren tachtig (beluister Killing Technology, Dimension Hatröss en Nothingface nog eens en hoor hoe de tijd hen nog steeds niet heeft ingehaald), albums over dystopische maatschappijen en op hol geslagen technologieën die vooral opvallen door vreemde structuren, melodieën en het werk van gitarist Denis D’Amour (‘Piggy’), dat metal, prog, en psychedelica een rondedansje laat uitvoeren. Helaas overleed D’Amour enkele jaren geleden aan kanker, waardoor de toekomst van de band op het spel stond.

Het was echter de originele bezetting, aangevuld met gitarist Dan Mongrain, die terug de hort op trok met Infini onder de arm. Op die plaat, opgebouwd rond de laatste thuisopnames van D’Amour, wordt duidelijk dat het Voivod-verhaal nog steeds niet aan z’n einde is. Het werk wordt trouwens uitgebracht door Relapse, niet toevallig een label dat vooral uitpakt met experimentele metal die het avontuur niet schuwt. Uit Infini werd echter amper geput tijdens dit concert. In plaats daarvan werd getrakteerd op niet minder dan een best of, een reis door een catalogus die eens te meer bevestigde wat een kwaliteit de band in de aanbieding heeft. “Voivod” en “The Unknown Knows” maakten meteen duidelijk dat de band prima op elkaar ingespeeld was en het enthousiasme was volop aanwezig. Bassist Blacky kreeg snel af te rekenen met technische problemen, maar het leek alsof die kleine tegenslag het sleutelmoment van het optreden werd.

Klassieker na klassieker passeerde de revue: “Experiment”, “Brain Scan”, “The Prow” en “Psychic Vacuum” lieten ten volle horen hoe de band een bijzondere plaats wist te veroveren in de metalgeschiedenis. Het was vooral uitkijken naar de performance van Mongrain, die cultheld Piggy moest opvolgen. Hij oversteeg zowaar alle verwachtingen, door de iele snijdende gitaarlijnen en experimentele aanpak van die laatste te recreëren én te voorzien van een extra fond die het geheel zo opwindend maakte. Zijn overduidelijke goesting was mooi om te zien en had duidelijk ook een invloed op de andere drie. Hoogtepunten waren een ronduit razende versie van “Tornado” en de aan Piggy opgedragen cover van Pink Floyds “Astronomy Domine”, die zelfs de vloer aanveegde met de al sterke albumversie. Slechts een beperkt deel van het opgedaagde publiek was er getuige van, maar Voivod speelde een prachtig eerbetoon aan zijn overleden leider en een concert dat zijn unieke status moeiteloos bevestigde.

© goddeau

NP: Kylesa – Static Tensions

Read Full Post »

thething

  • Taken (Pierre Morel, 2008). Pfff. ’t Begint allemaal prima, als internationale thriller die plompweg het stuk braakland tussen Nikita (het script is dan ook van Luc Besson) en The Bourne Identity opeist, maar het verzandt al snel in een aaneenrijging van onwaarschijnlijke wendingen, lullige dialogen en hopeloos karikaturaal acteerwerk. Liam Neeson, nochtans een fijn acteur, zet de blik op ‘intens’, maar het mag niet baten. Taken is een mager beestje. (**)
  • Het Nieuwe Rijksmusem (Oeke Hoogendijk, 2008). Deze documentaire film is daarentegen bijna twee uur pure eye candy. Hoogendijk volgde het gebeuren rond het Rijksmusem in Amsterdam, dat in 2003 werd gesloten voor grootschalige bouwwerken die in 2008 een wereldvermaard spektakel zouden opleveren. Zo vlotjes zou het echter niet lopen: de lokale fietsersbond (!) gooit meermaals roet in het eten, de stedelijke diensten doen er alles aan om het project te bemoeilijken en centrale spelers haken een na een af. Het dieptepunt is een aanbesteding waarbij de enige kandidaat speelt met budgetten die ronduit geschift zijn. Vooral stilistisch erg sterk, met lange en trage shots van de bouwwerf, de herstellingswerken en allerhande meetings en interviews met architecten en conservatoren die steeds dieper wegzakken in hun ellende. Mooie muziek ook, van o.m. Wim Mertens en John Zorn (die speciaal voor deze documentaire muziek componeerde, die uiteindelijk terecht kwam op het 21e deel van zijn Filmworks-reeks). Het ziet er intussen naar uit dat de werken aan het museum zullen aanslepen tot 2013. (****1/2)
  • The Thing (John Carpenter, 1982). Nog eentje die ik, net als Jaws, eigenlijk op veel te jonge leeftijd wist mee te pikken. Ik zag nooit het origineel (een sci-fi classic van Howard Hawks), maar ik kan me moeilijk voorstellen dat die beter is. Intussen aardig verouderd, maar nog steeds spanned as fuck, deze extreem bloederige horrorversie van Tien Kleine Negertjes op Antarctica. Een guilty pleasure om U tegen te zeggen. (****)
  • Marty (Delbert Mann, 1955). Opnieuw een onweerstaanbare film, maar dan van een andere orde. Een lichtvoetige romantische komedie met Ernest Borgnine als vrijgezel/tamme goedzak, die het steeds opnieuw moet ontgelden bij vrienden en familie en, net als hij het niet verwacht, de vrouw van z’n leven tegenkomt. Old school Hollywood cinema met stijl. (****)
  • Freaks (Tod Browning, 1932). Na bijna acht decennia nog steeds een baanbrekend filmpje, maar in m’n geheugen was ie beter. Excentriek en intrigerend (en destijds vast behoorlijk erover), maar ook onsamenhangend en slecht geacteerd. Het hele zootje haalt het niet van Lon Chaney in The Unknown. (***1/2)
  • Reservation Road (Terry George, 2007). Joaquin Phoenix, Mark Ruffalo, Jennifer Connelly en Mira Sorvino in één film, en toch niet overtuigend. George brouwt een tv-film-met-budget rond een alledaags, maar pijnlijk thema (verkeersongeval – vluchtmisdrijf – schuldgevoel – wraak), maar de film bezwijkt onder z’n gewicht en mist dramatische spanning. (**1/2)

NP: The Dream Syndicate – Live At Raji’s

Read Full Post »

Welkom in de 19e eeuw!

We gaan lustig verder met stuff die geen mens interesseert.

 

NP: Rory Gallagher – Irish Tour ’74

Read Full Post »

caché

  • 72 Caché (Michael Haneke, 2005). Ik denk dat het Haneke was die ooit beweerde dat het de taak van de regisseur was om de juiste vragen te stellen en niet om de antwoorden te geven, en de films zijn dan ook navenant. Caché is een film die zo ook meerdere ladingen dekt. Het is een gezinsdrama verpakt als psychologische thriller, maar het is net zo goed een film met een politieke dimensie en een meta-film die zijn eigen geloofwaardigheid in vraag stelt. Een paar culturo’s krijgen af te rekenen met een stalker die hen raadselachtige videobanden bezorgt, waaruit blijkt dat hij hun doen en laten nauwlettend in het oog houdt. Vader (Daniel Auteuil) komt erachter dat een oude bekende een wrok koestert, maar deze beweert niets met de videobanden te maken hebben. Doorheen de film zijn er verschillende theorieën, het was de man of zijn zoon, maar het kan net zo goed Haneke zelf zijn geweest, de auteur die het artificiële van de film benadrukt door zijn eigen aanwezigheid expliciet kenbaar te maken. Een bevreemdende, filosofische, zelfbedruipende trip, intrigerend en afstandelijk, en goed voor uren geleuter. (****)
  • 73 About Schmidt (Alexander Payne, 2002). Bitterzoete komedie over een vers gepensioneerde (Jack Nicholson), die van de ene dag op de andere alleen komt te staan en beseft dat hij niets heeft om voor te leven. Sleept wat te lang aan, maar bevat een aantal mooi in beeld gebrachte scènes en een indrukwekkende (en sobere) vertolking van Nicholson, die hier komaf maakt met zijn alombekende tics. (***1/2)
  • 74 The Unknown (Tod Browning, 1927). Pareltje uit de laatste dagen van de stomme film, van de regisseur van cultklassieker Freaks. Het verhaal is te zot om waar te zijn: misdadiger Alonzo (een fabuleuze Lon Chaney!) komt aan de kost als messenwerper (met voeten!) in een circus en dingt, net als de krachtpatser van het gezelschap, naar het hart van de dochter van de circusbaas. Zij is echter bang om aangeraakt te worden door… mannenhanden! Alonzo vermoordt de circusbaas nadat die ontdekt dat hij zijn armen ingespt in een korset. Omdat hij herkend kan worden aan zijn linkerhand (2 duimen!) en een handige kerel is met zijn benen/voeten, besluit hij dan maar om zijn armen te laten amputeren. Bij terugkomst blijkt dat de liefde van z’n leven haar angst overwonnen heeft en terug te vinden is in de armen van de krachtpatser. Alonzo zint vervolgens op wraak. Absurde horror, met een glansperformance van Chaney, met een kop die ei zo na expressief is als Piet ‘Wat e’n we heleerd vandaag?’ Huysentruyt. (****)
  • 75 Mark Of The Vampire (Tod Browning, 1935). Degelijke vampierenfilm met Bela Lugosi en Lionel Barrymore, met een forse dosis humor, overhoop zetten van de genreconventies en geluidseffecten die de dag van vandaag vooral erg lachwekkend zijn. Best een geinig filmpje (plastieken vleermuizen to the max!), maar dan wel met ontstellend slecht acteerwerk van heel wat acteurs. (***)
  • 76 Black Snake Moan (Craig Brewer, 2005). Weeral een vreemd verhaal: nymfomane Christina Ricci wordt van haar ‘ziekte’ bevrijd door bluesman Samuel L. Jackson, die er niet beter op weet dan haar vast te ketenen aan zijn radiator en het klassieke rollenpatroon zo even op z’n kop zet. Rare combinatie van humor, zweterige toestanden en voodoo. Wat de film echter zo boeiend maakt is de soundtrack: niet alleen is Jackson verdomd overtuigend als de bluesmuzikant (de juke joint finale is geweldig), maar er is ook muziek van o.m. The Black Keys, Son House en R.L. Burnside, aan wie de film is opgedragen. (***1/2)
  • 77 Fallen Angels (Wong Kar-Wai, 1995). Goeie film van een van ’s werelds meest bejubelde regisseurs. Geslaagde mix van visuele extravaganza en eerder deprimerende thema’s, met drie door elkaar gestrengelde verhaallijnen over verloren gelopen personages in het nachtelijke Hong Kong. Prachtig acteerwerk van Takeshi Kaneshiro als stomme halvegare, maar als geheel toch minder indrukwekkend dan het verwante Chungking Express. (****)
  • 78 The Good German (Steven Soderbergh, 2006). Indrukwekkend staaltje van recreatie van de 40s stijl. The Good German oogt als een klassieke film noir: de zwart/wit-contrasten, de gestileerde decors, de lijzige acteerprestaties, de montage… het heeft allemaal iets van het tijdperk van de femme fatale, de prviate eye en de übercomplexe plot. George Clooney is goed, zoals altijd, maar het is de vertolking van Cate Blanchett die de show steelt. Het verhaal is dan weer van een andere orde: begint als typisch noir-complot, maar deint geleidelijk uit naar een politieke lading die het schuldvraagstuk van de tweede wereldoorlog in vraag stelt (in welke mate hebben passieve Duitsers bijgedragen aan de oorlogsmisdaden, etc.)… met wisselend succes. (***1/2)

NP: Green On Red – Here Come The Snakes

Read Full Post »

bt… het bewijs dat je soms je instinct moet volgen om vervolgens weggeblazen te worden door een band die 75 minuten lang indruk weten te maken met extreme, lelijke, aartsmoeilijke muziek. Ik heb me nooit écht verdiept in grindcore (al is Choosing Death, het definitieve boek over het genre, absoluut de moeite), het label dat Brutal Truth doorgaans opgeplakt krijgt. Napalm Death is natuurlijk onvermijdelijk, Pig Destroyer behoort tot het beste muzikale extremisme van de voorbije jaren en in eigen land doet Leng Tch’e het prima, maar daar houdt het ongeveer op. Laatst op de radio gehoord dat Brutal Truth een nieuwe plaat uit had: Evolution Through Revolution (Relapse). Meteen viel op dat de stilte niet gezorgd had voor energieverlies. Meer nog, het eerste nieuwe materiaal sinds Sounds Of The Animal Kingdom (intussen al twaalf jaar oud) klonk bijzonder fris en vitaal.

Een goed gevulde Negasonic (waarvan ik eigenlijk dacht dat ‘m veel te klein ging zijn) was getuige van een uitmuntende performance van een stelletje muzikanten dat in de wereld van de extreme metal al pensioengerechtigd is. Dan Lilker is intussen 45, speelde mee op de eerste plaat van Anthrax (1984!), bij S.O.D. en Nuclear Assault. Zanger Kevin Sharp is 41 en ook bekend van Venomous Concept (met volk van Napalm Death en The Melvins), terwijl gitarist Erik Burke ooit bij Lethargy speelde met Brann Dailor en Bill Kelliher, die later Mastodon zouden oprichten. Geen idee wat drummonster Richard Hoak deed voor Brutal Truth. Iets met eerlijk geweld. Ze hebben de bagage en de technische skills om het wat makkelijker aan te pakken en de lat wat lager te leggen.

In plaats daarvan varen ze hun eigen koppige koers en pakken ze uit met indrukwekkende uitgevoerde precisiebombardementen. De vier raasden door hun recentste album, een resem korte en brute songs, met de hellehonden op de hielen. Ondanks de ultratechnische stijl (waarbij vooral drummer Hoak en gitarist Burke monden deden openvallen) had het echter niets van een klinische, zielloze performance. Als er iets is wat deze band onderscheidt van de horden wannabes, dan is het wel dat hij een zekere, euh, soul, in een performance weet te leggen. Met Kevin Sharp beschikt het kwartet dan ook over een charmante frontman die ook alle regels van het genre aan z’n laars lapt. Die combinatie van geblaf en diepe grom is dan wel typisch voor het genre, de man staat er met een frisse no nonsense-attitude. En een cowboyhoed. Die ‘m dan nog staat ook.

Was die eerste set een uitstekend staaltje van hyperactieve grindcore, dan ging de tweede set, een keuze uit het oude werk, al helemaal ervoor zorgen dat de energiemeters het rood in gingen. Hectische drumsalvo’s, abrupte breaks, hoekige thrashwendingen en de occasionele rustpunten zorgden voor een performance waarbij je niet anders kon dan grijnzen en mee gaan.  de naam is typisch, de band niet. Al bij al dus een retestrakke, verschroeiend energieke en ronduit imponerende set van een band die het etiket van levende legende in het genre meer dan verdient. En zo kwam een van de hoogtepunten van het voorjaar uit onverwachte hoek. Fuck yeah.

(En merci aan Batarang om me op de komst van de band te wijzen.)

NP: Pig Destroyer – Phantom Limb

Read Full Post »

%d bloggers liken dit: