Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for oktober, 2011

Kleine maand stilgelegen wegens andere prioriteiten, maar toch nog redelijk wat kunnen pennen:

Advertenties

Read Full Post »

Een tweetal jaar geleden heb ik een recensie van het Darius Jones Trio op deze pagina’s gegooid. Dat omdat het een plaat was die een onuitwisbare indruk maakte. Omdat het een nieuw talent liet horen dat beloofde voor de toekomst. Niet dat zo’n recensie iets revolutionairs teweeg kan brengen, maar kom, er zijn talenten die alle aandacht die ze kunnen krijgen ook kunnen gebruiken, en een artiest als Jones is er een van. En z’n tweede plaat, die is al even opmerkelijk. Dus, hop:

We waren behoorlijk onder de indruk van Jones’ debuut Man’ish Boy (A Raw & Beautiful Thing), een plaat die liet horen dat er anno 2009 nog steeds een plaats was voor soulvolle freejazz die rechtstreeks uit het hart en de onderbuik kwam. Nu is er niet enkel het vervolg, maar ook het nieuws dat dit nog maar het tweede deel is van wat uiteindelijk een losjes autobiografische trilogie zal worden. En ja hoor, Jones heeft zijn status van aanstormend talent ruimschoots overstegen. Hier is een artiest aan het woord met een volgroeide, onvergelijkbare stijl.

Intussen waren er natuurlijk nog een paar wapenfeiten bijgekomen die de 32-jarige altsaxofonist op het voorplan zetten. Hij maakte indruk op William Hookers Earth’s Orbit, bracht een verschroeiende plaat uit met punkjazzkwartet Little Women en was bijzonder sterk bezig op het originele debuut van Mike Pride’s From Bacteria To Boys. Bovendien bracht hij dit jaar al een opgemerkte duoplaat uit met pianist Matthew Shipp, waarop hij liet horen ook in een heel andere context zijn mannetje te kunnen staan. Op Big Gurl speelt hij niet meer samen met veteranen Cooper-Moore en Rakalam Bob Moses, maar een jongere garde: bassist Adam Lane en drummer Jason Nazary, die ook al te horen waren op het bonusnummer van het debuut.

Bij een eerste beluistering lijkt deze opvolger minder eigenzinnig, wat grotendeels komt doordat Cooper-Moore’s diddly bow en piano vervangen werd door een reguliere bas. De sound lijkt daardoor wat minder aards en excentriek, al doen meerdere beluisteringen beseffen dat ook deze twee collega’s perfect in Jones’ visie passen, want vanaf opener “E-Gaz” krijg je weer die diep in oergrooves gewortelde aanpak, waarbij Lane en Nazary een dwingende stuwing voorzien onder Jones’ benepen sound, die hier flipt tussen staccato figuurtjes en z’n kenmerkende klagerige toon. Meteen voel je ook de link met de “loft jazz” van de jaren zeventig, toen figuren als Sam Rivers, Jemeel Moondoc en Henry Threadgill met Air al even sensuele, passionele en in blues gedrenkte jazz speelden die verder bouwde op de fire music van de jaren zestig.

Dat is ook wat Jones onderscheidt van veel generatiegenoten. Hij is misschien niet vernieuwender of radicaler, maar z’n aanpak komt duidelijk vanuit het hart. Daarover liet hij een veelzeggend citaat optekenen in The Wall Street Journal: “If you forget the blues, if you forget the funk, if you forget that stuff, that’s death. If you try to academicize hip-hop or gospel music, that kills it. My desire is to be the country preacher. Y’all don’t forget where this comes from, man.” Het is een pleidooi voor een band met de tradities, maar ook voor pure emotionele diepgang in de muziek, en die is er volop. En een kleurrijkheid die opnieuw weerspiegeld wordt in het artwork van schilder Randal Wilcox.

Ballads als “Michele Willie” en “I Wish I Had A Choice” laten horen dat het niet noodzakelijk moet gaan om robuuste, langs alle kanten razende exploten. De intensiteit is in deze composities al even zinderend, al is het goed dat ze gescheiden worden door “A Train”, een radicale deconstructie van Billy Strayhorns “Take The “A” Train”. Er zijn elementen die overeind blijven, al moet je soms goed de oren spitsen om er het origineel nog in te herkennen. Het is alleszins een tour de force, met bakken schwung en een nerveus kletterende grootstadsvibe. De zeven stukken laten dus een zeer diverse plaat horen, al zit het meest opmerkelijke misschien wel in de staart.

Als voorlaatste krijg je een nieuwe versie van “Chasing The Ghost”. Het is een risico om het hoogtepunt van je debuut nog eens te hernemen, maar dit is gewoon een al even straffe en bewogen versie, waarbij de saxofonist z’n hele register, van de vibratoloze klaagzang tot schrille uitschieters en gruizige overblowing tentoon kan spreiden. Opmerkelijk is hier ook de rumoerige ondersteuning van Nazary en Lane, die de leider maar blijven opjutten. Dit stuk wordt dan nog eens gevolgd door “Ol’ Metal-Faced Bastard”, een verwijzing naar MF Doom en Ol’ Dirty Bastard, en een duidelijk voorbeeld van Jones’ liefde voor hiphop.

Mechanische beats komen er niet aan te pas, maar Lane zorgt voor een onweerstaanbaar stuwende baslijn, terwijl Nazary z’n gebroken ritmes eindeloos blijft variëren, met verschuivende en versnellende ritmes, terwijl Jones opnieuw uit z’n voegen barst. Het is een vurige, sensuele en fysieke performance, die nog maar eens het buikgevoel bij de plaat onderstreept. De concluderende gedachte is dan ook dat Darius Jones er in geslaagd is om een succesvol vervolg te maken op het al geweldige Man’ish Boy. Hij laat bovendien een frisse wind waaien in een scène die daadwerkelijk geobsedeerd is door formele experimenten en soms verstrikt raakt in z’n eigen ambities.

Net als pakweg Matana Roberts duikt Jones in z’n roots, zowel de persoonlijke als de muzikale, en slaagt hij erin om doordachte muziek te maken met ambitie, zonder ook die gedrevenheid en viscerale energie kwijt te spelen. Daardoor krijg je een uitdaging voorgeschoteld die een emotionele impact kan hebben die je dezer dagen niet vaak met freejazz en geïmproviseerde muziek associeert. Het debuut blijft de ideale instap, maar ook Big Gurl (Smell My Dream) is een kleine triomf, waardoor je een artiest gevonden hebt die je wil blijven volgen. Mooist van al is dat het derde deel (The Book Of Mae’bul) al aangekondigd is voor het voorjaar van 2012. Mooie tijden in ’t verschiet dankzij deze predikant.

© goddeau

* Het aangekondigde concert in de Vooruit (9/11) is afgelast, net als de rest van de Europese concerten
* De plaat is te koop via Instant Jazz
* Meer info hier

Read Full Post »

Geen tijd.

  • The Experiment (Paul Scheuring, 2010). Gebaseerd op het experiment in Stanford Prison (laat mensen de rollen van bewakers & cipiers opnemen en wacht af wat er gebeurt). Ziet er OK uit, start al bij al veelbelovend, en er lopen een paar knallers in rond (Adrien Brody & Forest Whitaker, die tekeergaat alsof hij 35gram coke erdoor joeg per dag), maar ’t blijkt uiteindelijk een lege doos. (**)
  • Angels & Demons (Ron Howard, 2009). Soortement vervolg op The Da Vinci Code. Pulp met wat pretentie en een volstrekt debiel einde, maar wat eraan vooraf gaat is niet half zo gortig als velen u zullen doen geloven. (**1/2)(145)

Intussen nog aan ’t kijken naar Dexter S3 en True Blood S3 en wat gekeken naar het Deense Those Who Kill (versimpelde versie van The Killing, niet slecht)

Read Full Post »

%d bloggers liken dit: