Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘33 1/3’ Category

wejamecono1Ik ging door het lint toen ik een paar jaar geleden te horen kreeg dat er een documentaire over The Minutemen stond aan te komen. Vanaf de dag dat ik hun legendarische album Double Nickels On The Dime (1984) kocht, ergens in de jaren negentig, stond die plaat in m’n top 5 aller tijden en ze is er nooit meer uit verdwenen. Honderden beluisteringen later (dit is vermoedelijk de enige plaat die ik elke week minstens een keer opleg) is m’n adoratie voor de mijlpaal nog steeds onverminderd. Het trio kwam uit een scene (die van het SST-label, waar o.m. ook Black Flag en Hüsker Dü gevestigd waren) die me sowieso al nauw aan het hart lag, maar wat die kerels deden was te uniek om vast te pinnen op een label, jaar of stijl. Double Nickels On The Dime is een onvergelijkbare uitbarsting van creativiteit en energie, een plaat die met een been in de Amerikaanse punktraditie staat, maar tegelijkertijd met onwaarschijnlijk veel verve de genrebeperkingen weet te overstijgen.

Wat hen voor de gemiddelde muziekfan puur ‘punk’ maakte was die liefde voor korte en vrij snelle geluidserupties. Het album bevat ook niet minder dan 43 songs (de 2LP-versie heeft er zelfs 46!), waarin de leden niet enkel hun draai geven aan de punktraditie, maar ook rotzooien met country, funk, jazz, avant-rock en folk. Dat de Minutemen zo uniek klonken had alles te maken met het feit dat niemand in de band er een conventionele stijl op nahield. Gitarist/zanger d. Boon speelde clean (zonder vervorming), jazzy en snijdend en verbazend virtuoos voor een ‘punk’, bassist/zanger Mike Watt was duidelijk beïnvloed door funk en jazz, en drummer George Hurley slaagde er in op elke song anders aan te pakken zonder ooit minder dan indrukwekkend te zijn. Hun songs waren snedig maar niet agressief, humoristisch maar niet onnozel, intellectueel uitdagend maar niet arty-farty, geëngageerd maar niet sloganesk. Het was hardcore punk voor dat een synoniem werd voor geweld en machogelul. Het was m.a.w. een band met een hart, een brein en elastische heupen, ook al hadden ze de sex-appeal van een waterbuffel.

dnotdLater ging ik ook het andere werk verkennen. Geen enkele plaat wist het geniale van Double  Nickels te benaderen, maar elke e.p. en al hun full-albums weten zich te onderscheiden: de oudere releases door de waanzinnige concentratie van ideeën en gejaagdheid, de latere door vervaarlijk dicht te komen bij conventionele rock-‘n-roll, maar dan op de Minutemen-manier. Aan het verhaal kwam een einde toen D. Boon in december van 1985 omkwam bij een auto-ongeluk. Watt en Hurley wilden er aanvankelijk het bijltje bij neergooien, maar richtten wat later fIREHOSE op met Minutmen-fan van het eerste uur Ed Crawford. Die band zou een paar platen maken die in het verlengde lagen van de voorganger, maar met een verschuiving richting alt. rock. Hurley zou de muziek de rug toekeren, maar Watt bleef spelen in talloze bands (waarvan Banyan een favoriet is), maakte drie uitstekende solo-albums, bleef de DIY-idealen uitdragen als eerbetoon aan D. Boon en werd uiteindelijk bassist bij de herenigde Stooges.

Ik zag de film voor het eerst toen ik in 2005 naar een optreden van Watt & The Secondmen ging kijken (recensieding). Het optreden, de tour van The Secondman’s Middle Stand, was memorabel en belandde uiteindelijk op m’n #2 van dat jaar, maar We Jam Econo maakte zo mogelijk nog meer indruk. Regisseur Tim Irwin is er immers in geslaagd om een film te maken die er verdomd goed duidelijk maakt wat The Minutemen zo onderscheidde. Gesprekken met Watt vormen de ruggengraat van de film, die chronologisch het verhaal van het trio vertelt, van de begindagen in San Pedro, de eerste concerten en de releases op SST, tot de steeds bloeiende creativiteit, de vriendschap in de band en de unieke stijl die het trio legendarisch maakte. Bovenal primeerde de expressie bij de band, die als geen ander de idealen van de DIY belichaamde. Daardoor werden de band en hun meesterwerk de belichaming bij uitstek van de punkgedachte. Ze lieten horen dat de mogelijkheden eigenlijk onbeperkt waren. “Punk is whatever we made it to be” luidde het.

punkNaast Watt en Hurley krijg je een resem getuigenissen van mensen die bij de band betrokken waren: de moeder van Watt, schrijver/muziekjournalist Richard Meltzer (die met de groep zou gaan samenwerken) en vooral veel muzikanten uit hun omgeving, stuk voor stuk ronkende namen uit de punk/alternatieve muziek uit de jaren tachtig: Jello Biafra (Dead Kennedys), Milo Aukerman (Descendents), Keith Morris (Black Flag, Circle Jerks), Henry Rollins, Thurston Moore & Lee Ranaldo (Sonic Youth), Flea (Red Hot Chili Peppers), John Doe (X), Grant Hart & Greg Norton (Hüsker Dü), Ian MacKaye (Minor Threat, Fugazi), J. Mascis (Dinosaur Jr.), Colin Newman (Wire), etc etc. Allemaal waren ze getuige van, of een invloed op, de bijzondere identiteit van de band. Tussen de verhalen en getuigenissen passeren een hoop livebeelden van de groep in actie.

We Jam Econo bevat uit twee DVD’s. De eerste DVD bevat de film (ca. 90 minuten), drie videoclips, een aantal extra scenes, en tenslotte een interview met de band uit 1985 van meer dan vijftig minuten. De tweede DVD bevat beelden van drie optredens, samen goed voor meer dan zestig songs, waaronder hopen Minutemen-klassiekers als “Fanatics”, “Ack Ack Ack”, “Political Song For Michael Jackson To Sing”, “This Ain’t No Picnic”, “Corona” (bekend als de theme tune van Jackass), “History Lesson Pt. 2”, “Little Man With A Gun In His Hand”. M.a.w.: onmisbare kost voor wie geïnteresseerd is in de periode, maar ook aan aanrader voor wie een meer oppervlakkige interesse heeft voor de band en zijn context. Het is een eye-opener en een machtig, soms zelfs ontroerend portret van een van de weinige bands (hun vriendschap, leven, kunst) die niet zomaar indrukwekkend was, maar ook inspirerend. Ware helden, of zoiets. (*****)

NOG STUFF:

“This Ain’t No Picnic”:

Ook de moeite, en een hoogtepunt uit de 33 1/3-reeks:

dnotdfournier1

Nog een aanrader (als er iemand tot hier geraakt zou zijn): Our Band You Could Be Your Life (de titel is een verwijzing naar “History Lesson, Pt. 2”), een van de essentiële boeken over Amerikaanse 80s punk/gitaarrock, met hoofdstukken over Black Flag, Butthole Surfers, Sonic Youth, Minor Threat, The Minutemen, etc…

ourband

Advertenties

Read Full Post »

 mc5.jpg

The Stooges leerde ik redelijk vroeg in mijn muzikale ontdekkingstocht kennen, dankzij die niet te missen SEARCH & DESTROY op de rug van jeugdheld Henry Rollins, maar ik denk dat ik hun Detroitse collega’s van the Motor City 5 pas een paar jaar later te horen kreeg. Velen beschouwen die twee bands als een essentiële schakel in de ontwikkeling van de punk en (hard)rock, en daar zijn zeker valabele argumenten voor aan te voeren: beide bands stonden voor een doorgevoerd primitivisme dat het conformisme van de in zwang zijnde bandjes al dan  niet bewust op de korrel nam, ze gingen woest tekeer en werden opgericht door een bende snotneuzen die eigenlijk vooral een hoop lawaai wilden maken en lak hadden aan artistieke statements. Bijna vier decennia na de opname en release van Kick Out The Jams (1969) klinkt die plaat nog steeds indrukwekkend rauw en opwindend.  

Ik vind het zelf niet de geweldige plaat die velen ervan gemaakt hebben – hun revolutionaire ambities, vooral sterk in de verf gezet door guru/professioneel opruier John Sinclair, konden niet verhullen dat songschrijven niet echt hun sterkste kant was en dat een aantal songs doorgaans eindigden in een zootje – maar het is wel een geweldig belangrijke plaat, eentje die een schepje deed op de al aanstootgevende rock van The Stones , The Who en consoorten. De twee studioalbums die volgden op deze live-registratie – Back In The USA (1970) en High Time (1971) – bevatten sterkere songs, al werden ze grotendeels genegeerd, iets waar het label van de band voor een groot stuk tussen zat. Heel even dachten de heren van Elektra immers een goud schijtende ezel in huis gehaald te hebben, maar de band, de boodschap die hij verkondigde (“rock and roll, dope and fucking in the streets”) en de taal die gebruikt werd was er duidelijk te veel aan, was té explosief, en de band werd achtergelaten als een stuk vuil. 

Don McLeese weet plaat en band uitstekend te kaderen, bespreekt uitvoerig de rol van Sinclair, van wie werd beweerd dat hij de band misbruikte ter meerdere eer en glorie van zijn eigen ego en ambities, maar gaat ook in op hoe de band paste in het eigen referentiekader. Voor velen was het rockfestival van Monterey het einde van het naieve sixties-optimisme, maar het bestaan van deze band en zijn overweldigende attack had daar net zo veel aanspraak op kunnen maken. Het vijftal veegde die flowers in your hair-onzin immers van tafel met gitaren als machinegeweren, decibels en smerige, tussen psychedelica, blues, garagerock en freak-jazz scheurende songs die vaak iets hadden van moedwillig opgestarte bosbranden. Het is moeilijk om niet licht opgwonden te worden bij de vulcanische riffs van “Kick Out The Jams”, “Rocket Reducer No. 62 (Rama Lama Fa Fa Fa)” en de smerige razernij van “I Want You Right Now”, songs die verbazend heavy klonken voor die tijd (en meteen ook een stap in de richting van metal zetten). 

mc52.jpg

Later zou duidelijk worden dat de band zich voor een stuk had laten meeslepen door de tijdsgeest, Sinclair en zijn eigen naieviteit en overmoed. Het waren immers geen politieke dieren maar rockers in hart en nieren. Gitaristen Wayne Kramer en Fred “Sonic” Smith (die later bekender zou worden als meneer Patti Smith), bassist Michael Davis, drummer Dennis Thompson en zanger/full-time afrodrager Rob Tyner waren uiteindelijk niet meer dan all-American kids die wilden rocken en rollen. Dat zou verduidelijkt worden aan de ode aan de kunst van Back In The USA, een plaat die inhoudelijk op dezelfde lijn ligt als de vroege albums van Bruce Springsteen en ook ingeblikt werd door Jon Landau, de man die the Boss zou ontdekken. Die plaat bevatte naast enkele vlugge rock-‘n-rollcovers (Litte Richards “Tutti Frutti” en Chuck Berry’s “Back In The USA”) een aantal uitstekende songs als “Teenage Lust”, “Looking AT You”, “The American Ruse” en “The Human Being Lawnmower”, die echter vakkundig de kop ingedrukt werden door een spectaculair dunne productie met de treble-knop volledig naar rechts gedraaid. Die plaat mist daardoor de heavy furie van het debuut, maar werd wel een wegbereider voor veel scherpe punkproducties die later zouden volgen en de high energy-bands die om de zoveel jaar de kop opsteken in naam van de eerlijke rock-‘n-roll, denk aan The Hellacopters, Monster Magnet, The Hives, etc. 

High Time biedt dan nog het beste evenwicht tusgen goede songs en gespierde sound, iets dat na 35 jaar stilaan duidelijk wordt. Maar het boekje gaat dus over dat vurige debuut, die woeste call to arms die soms wat te zeer opgaat in zijn eigen masturbatie maar overeind blijft als een rockklassieker-op-steroïden pur sang, eentje die de respectabele carrieres van Kramer (solo) en Smith (Sonic’s Rendez-Vous) en de recente reunie (als DTK/MC5) nog steeds in de schaduw stelt. Met een taal die even vurig is als de plaat weet McLeese (een man die duidelijk genoot van het schrijven van het boekje) een overtuigend, gebalanceerd, volledig, en to the point pleidooi te geven voor het belang van de plaat, waardoor het ongetwijfeld ook een hoogtepunt is in de 33 1/3-serie. (****)

NP: MC5 – Back In The USA

mc5bitusa.jpg

Read Full Post »

endtroducing.jpg

Ik moet bekennen (verdomme, dat wordt hier nog een bedevaartsoord voor liefhebbers van beschamende belijdenissen) dat ik een beetje een haat/liefde-verhouding hebt met elektronische muziek (reken hiphop, triphop en andere -hops daar ook maar even bij voor het gemak). Eén en ander heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat ik sinds m’n vroege tienerjaren zot was van gitaarrock (in de breedst mogelijk denkbare vorm), en het moest dan niet eens heavy of heftig feedbackend zijn. Daarenboven komt dan nog eens dat ik een verhalenmens ben. Ik ben geen lyrics freak, maar ik hou wel van volk dat iets te vertellen heeft. Randy Newman, Richard Thompson, Johnny Cash, de gebroeders Wright (Nomeansno), Dylan,… het zijn helden. De kans dat de muziek me dan weten te raken is eens zo groot.  

Elektro (ik verwijs nu even naar de serieuze variant, niet het gabbergezeik en platte technogebonk dat doorgaans uit de blinkendste tweedehandscabrio’s schalt) is vaak uitstekend voor op de dansvloer, maar kijk… ik ben geen danser (als het dan toch gebeurt, zo eens om de twaalf jaar, dan is het waarschijnlijk na de combinatie ‘James Brown’ + ‘te veel bier’). En als ik luister naar bvb. Underworld, The Chemical Brothers of Aphex Twin, om maar enkele genregroten aan te halen, dan heb ik vaak het gevoel dat ik iets mis, dat men vergeten is er een ingredient aan toe te voegen. Hoe vaak lees je in recensies over elektronische muziek niet dat de plaat in kwestie iets heeft van een soundtrack bij een imaginaire film of de sonische tegenhanger is van *vul filmtitel in*. Ik heb dat dus zelden. Ik hoor digitale geluiden, een aaneenschakeling van beats en keys en  knopjesdraaierij die mechanisch is, en perfect in synch en daardoor de lillende schwung van, pakweg, een oude funkplaat mist. Ik besef dat ik weer bezig ben in zwart/wit-termen, maar hey, ik ben een pragmatisch denker. Als de boodschap maar overkomt… 

De voorbije jaren heb ik heel wat elektronische muziek mogen ontdekken die dit grotendeels weet te compenseren met sonische inventiviteit, opzwepende ritmes, atmosferische experimenten of excentrieke kruisbestuivingen, maar als ik een paar uur elektronische muziek heb gehoord, en het maakt daarbij niet uit of het gaat om Kraftwerk, The Prodigy, Hot Chip of Fennesz, dan wil ik na een tijdje nog eens een belachelijk ouderwetse songs horen met drums en bas en gitaar en zang. Iets dat niet volledig digitaal is, of waarvoor een versterker moet aangesleept worden. Of iets met snaren.  Ik heb het voor de droge avontuurlijke old school hiphop van Run DMC, Digital Underground, NWA, Public Enemy, Boogie Down Productions, Eric B. & Rakim, het soort spul dat tekstueel én muzikaal boeiend was en ver verwijderd was van wat de dag van vandaag voor hiphop wordt versleten. Nu ja, ik ben écht een ouwe zak, want op een paar songs na vond ik zelfs aan de zo bejubelde Wu-Tang Clan niet veel meer. Enfin ja. 

 vinyl.jpg

Die Endtroducing… was dan weer een van die tot must have gebombardeerde platen die ik wel kort na release aanschafte (en dat in de midden jaren negentig, toen ik bijna exclusief naar jazz luisterde omdat rock plots zo hol geworden leek), want wat die DJ Shadow deed, dat was anders, dat was divers, donker en swingend, had substantie, groove, inventiviteit, seks en een eigen karakter. Snel zou blijken dat het om een moderne klassieker zou gaan, het soort album dat de voormalige leiders op een achterstand sloeg en aanwees op achtervolgen voor een paar jaar. Het was het album dat enkel gemaakt had kunnen worden door een nerd met een encyclopedische kennis van elektronica/dansmuziek, want op Endtroducing… blijft het niet bij beats, maar wordt de hele popcultuur (of toch een fors stuk) erbij gesleept. Het is een stuk collagekunst die nu eens abstract is en dan vet funkend, de ene sample aan de andere koppelt met zoveel aplomb dat het lijkt alsof de onderdelen voorbestemd waren hun weg te vinden tot dit specifieke album. 

En intussen dus ook een deel van de 33 1/3-reeks van continuum. Dit volume werd neergepend door freelance-schrijver Eliot Wilder, die eens niet koos voor de academische of de microscoopaanpak, maar de oerklassieke journalistieke vorm: het interview. Na een goed geschreven, boeiende inleiding van een twintigtal pagina’s wordt de lezer dan ook getrakteerd op een interview met Shadow van zo’n tachtig pagina’s dat chronologisch het parcours naar Endtroducing… aflegt, van zijn kinderjaren in het duffe suburbia in Californië, zijn ontdekking van muziek, vroege hiphopverslaving in de mid-80s, een serieuzere verslaving aan vinylaanschaf en eerste experimenten met mix tapes. In high school was Josh Davis al als een bezetene met de hiphopcultuur bezig en het soort gek dat zich zelfs ging aanmelden bij programmamakers van de radio om te kunnen bijleren. Zijn carriere nam en vlucht toen hij onder de hoede van Mo’ Wax-baas James Lavelle terechtkwam. 

In de vroege jaren negentig maakte hij als adolescent een paar singles (“In/Flux”, “Lost And Found”, What Does Your Soul Look Like?”) die intussen innovatief bleken te zijn voor hun tijd, maar niets of niemand had de komst van Endtroducing… kunnen voorspellen, een plaat die door velen boven Nevermind of OK Computer wordt verkozen als dé soundtrack bij de geschifte nineties. Wat er ook van zij, het is een album dat los van z’n invloed terecht aanspraak kan maken op een volume in de reeks, en met de bijdrage van Wilder een degelijk, inzichtrijk eerbetoon heeft gekregen. Ik had liever gehad dat de aandacht wat meer toegespitst werd op de plaat, maar dan krijg je natuurlijk van die detailneukerij die enkel door een paar klojo’s gesmaakt wordt. Dikke aanrader voor liefhebbers van de plaat. (***1/2) 

Dat doet me er trouwens aan denken dat ik dringend werd moet maken van de verdere aanschaf van het werk van DJ Shadow. Ik heb gehoord dat zijn latere albums (slechts twee?) slappe kak zijn in vergelijking met Endtroducing…, maar dat kan toch niet helemaal waar zijn, zeker? 

NP: The Dream Syndicate – The Days Of Wine And Roses (na 250 beluisteringen: wat.een.plaat) en ook: John Zorn – Filmworks Vol. 18, The Treatment (dat titelnummer! swingen als een tiet, en wat voor een! en met accordeon! )

dreamsyndicate.jpgzornfw18.jpg

Read Full Post »

ramones.jpg

Het is altijd bijzonder om te lezen over een plaat of artiest die je nauw aan het hart ligt, dus bij het lezen van Ramones was het dubbel prijs. De eerste plaat van de Ramones die ik kocht was Ramones Mania, een compilatie (815 frank in de New Music in Genk! Een FNAC-prijs!) met een dertigtal nummers uit hun eerste tien platen (1976-1987), maar niet lang daarna vond ik Ramones (1976) én hun derde, Rocket To Russia (1977), op LP op de Genkse rommelmarkt (500 BEF voor de twee). Dat moet in de zomer van 1990 of 1991 geweest zijn. Ik had net punk ontdekt (m’n eerst CD-aankoop was een 3CD-box van The Clash met daarin The Clash, Give ‘Em Enough Rope en Combat Rock), beschikte over een platendraaier die fatsoenlijk werkte en was ongetwijfeld opgewonden dat ik de oude platen van the Ramones (confronterend dat de platen sindsdien al meer dan dubbel zo oud zijn geworden) in m’n bezit had. Ik hield van de humor en de snelheid, van die combinatie van turbosongs van korte duur, het absolute gebrek aan vulling en de nerdiness, van de 1,2,3,4enwezijnvertrokken van “Blitzkrieg Bop”, “Teenage Lobotomy”, “Chain Saw” en “Rockaway Beach”. 

Ik had ook al snel door dat hun versie van punk (die werd gecreëerd voor het begrip een marketingterm werd) eigenlijk geen reet te maken had met het beeld van punk waar ik mee was opgegroeid: dat van gewelddadig boers lawaai voor ongemanierd krapuul met kapotte kleding, ontplofte kapsels en vuile manieren. Punk heeft niets te maken met je gedragen als een zwijn. Ramones steekt niet onder stoelen of banken, en dit haalt Rombes ook herhaaldelijk aan, dat het zwaar leentjebuur speelde bij pre-Beatles pop, bij The Beach Boys, The Beatles zelf. Punk stond hier m.a.w. niet als synoniem voor afbraak, maar voor een nieuw begin, een revitalisatie. De vier Ramones waren niet meer dan een paar nostalgici die gewoon opnieuw goeie, catchy songs op de radio wilden horen, die niet gedwee de tirannie van de gitaargod aanbaden (vandaar het dédain voor progrock en gladde, aan de band geproduceerde rommel die hoogtij vierde begin/midden jaren zeventig), de ‘back to basics’ letterlijk namen en dat meer dan twee decennia zouden volhouden zonder koerswijziging.

 Ik zag de Ramones drie keer live, en terwijl ze toen al ruim over hun piek waren (het volstaat om It’s Alive (1978) en Loco Live (1991) eens na mekaar te beluisteren – de laatste is veel sneller en strakker, maar inferieur aan de swingende eerste, die ik nog steeds aanbeveel als de beste, puurste Ramones-plaat), was dan toch een mokerslag die aankwam. De Ramones dat waren de Ramones, die veranderden eigenlijk niet, telden gewoon af en rammelden een uurtje, deden hun ding. Door die halsstarrige weigering om te veranderen, vooruitgang te boeken, verder te gaan zoeken, schrijft Rombes over hen als onbewuste revolutionairen wiens aanpak indruiste tegen ales wat van en muzikant verwacht werd: transitie, ontplooiing. Rombes vraagt zich af of Ramones (1976) “the last great modern record or the first great postmodern one” is, en doet dit door de plaat uitvoering te kaderen in discussies over het ontstaan van het woord “punk”, het genre punk, de verschillen tussen de Britse en Amerikaanse opvattingen, het gehanteerde discours, en de link met de muziekjournalistiek. 

ramones2.jpg

Het was pas in de tijd van de punkexplosie midden jaren zeventig dat de amerikaanse muziekcritici, met volk als Greil Marcus, Jim Derogatis, Robert Christgau, Richard Meltzer, Lester Bangs en een resem anderen hun taak serieus gingen nemen, een kader schepten om muziek te benaderen en het pad van de literaire aandoende journalistiek gingen bewandelen. Tegenover die plotse groei van de individualistische aanpak, waarbij ook een heel aantal punkartiesten (denk aan Patti Smith, Richard Hell, Peter Laughner en David Thomas van Rocket From The Tombs, de voorloper van Pere Ubu) zich waagden aan het geschreven woord, stond dan die haast cartooneske aanpak van de Ramones die zich nooit schuldig maakten aan dat individualisme. Hun songs verwezen naar pulpfenomenen (B-films en comic book-helden) die alleman kende, gingen over good times, lijm snuiven, dansen, weekendgeweld, maar nooit vanuit een (expliciet) persoonlijk perspectief. Daarbij kwam dan nog eens de identieke achternaam en de gelijke kostuumpjes en een nieuwe legende was geboren.

Rombes spendeert bijna tweederde van zijn boekje aan de socio-culturele context, maar deze is, i.t.t. wat Warren Zanes biedt in zijn boekje over Dusty In Memphis, wel steeds erg relevant. Rombes schrijft vlot, biedt inzicht en graaft dieper zonder zich te verliezen in vergezichte theorieën en slaagt erin heel wat perspectieven over band en album te verenigen in een boekje dat op een uurtje of twee uit is. Ook leuk: zijn bespiegelingen over de volgorde van de songs, de detailbeschrijvingen, de lay-out, etc. Er is geen enkel genre waar ik zo veel over heb gelezen als punk, dus Rombes gunde weinig nieuwe inzichten (dat was ook niet de bedoeling, veronderstel ik), maar het is een mooie aanvullig bij de klassieke Ramones-albums en andere belangrijke punkboeken zoals From The Velvets To The Voidods van Clinton Heylin, het amper leesbare maar cruciale Please Kill Me van Legs McNeil en Gilian McCain, en In the Fascist Bathroom en Lipstick Traces van Greil Marcus. (***1/2)

NP: Dinosaur Jr. – Beyond (de naald geraakt maar niet verder dan “Pick Me Up”)

dinosaurjr.jpg

Read Full Post »

Warren Zanes - Dusty In Memphis

Het eerste deel uit de 33 1/3-reeks van Continuum (2003) werd geschreven door Warren Zanes, in de jaren tachtig mede-oprichter van rootsrockband The Del Fuegos (hun debuut The Longest Day kan ik iedereen die het wil horen aanbevelen) en intussen professor in de culturele studies. Goed volk dus om een nieuwe, veelbelovende serie op gang te brengen, en dat gebeurt meteen met een niet echt voor de hand liggende plaat. Niet dat ik Dusty In Memphis geen goed album vind, verre van: terwijl ik het vroeger wat bombastisch vond en een iets zwakkere, vaag Europees klinkende tegenhanger van de albums die Aretha Franklin en Co. opnamen voor het Atlantic-label, ben ik het steeds meer gaan waarderen voor wat het is: een combinatie van Europees drama en Amerikaanse groove, van theatraliteit uit een traditie van suikerpop en lenige gespierdheid uit het zuiden van de verenigde staten. Sommige songs, zoals “Son Of A Preacher man” en “Just A Little Lovin’” hebben die nauwelijks weggestoken sensualiteit van zweterige sixties-soul, maar daar tegenover staan dan tracks als “The Windmills Of Your Mind” en “In The Land Of Make Believe”, barokke mini-opera’s in puurste Bacharach-traditie. Het is iets dat de dag van vandaag amper nog wordt opgemerkt, maar beluister de plaat na een reeks albums van Franklin en Wilson Pickett en het verschil wordt meteen duidelijk. 

Nu, wat het boek niet in petto heeft: je komt als lezer zo goed als niets te weten over de omstandigheden waarin de plaat werd opgenomen, hebt het raden naar het leven en zijn van Dusty Springfield in die periode en hoe ze ontvangen werd door haar Amerikaanse gastheren. Zanes haalt even aan dat Springfield voor 1969 uit een andere school van kauwgomballenpop kwam, maar verder inzicht: nada. Het ware nochtans leuk geweest als de plaat werd gekaderd in het volledige oeuvre. Ook geen verhalen over de studio, de sfeer tussen de muzikanten, het opbouwen van de songs, de opnamesessies, het toevoegen van arrangementen, de muzikanten en hun achtergrond zelf (toch essentieel, niet?). Er wordt even aangehaald dat oorspronkelijk een lijst van 80 songs werd voorgelegd aan Springfield, waarvan uiteindelijk 11 songs de plaat haalden, maar nergens wordt duidelijk gemaakt waarom net die songs uitgebracht werden. Dat soort antwoorden wilde Zanes blijkbaar niet geven.

Nochtans belooft de introductie van het boek heel wat, als Zanes een gevoel beschrijft dat muziekfanaten maar al te goed kennen: “As is abundantly clear to any record lover, certain albums come to be attached to distinct periods in one’s life, inadvertently becoming emblems of happy, desperate or even notably dull life phases, in this way assuming a sometimes surprising associational power. They can take us back to a time and give us a strong whiff of whatever was in the air. How often have we seen another person disappear into memory’s deeper reaches when a particular long player comes on? That person has gone somewhere. If as humans we can access only a fraction of all that is stored in memory’s vaults, sometimes a single song will give us quick access to those vaults, and in a manner that could only be described as uncanny. Some albums can’t be listened to for just this reason. Others might recall a prefect day and be loved for just such an ability to transport us (…)” Van herkenbaarheid gesproken, eindelijk zo’n kerel die voelt wat jij voelt, maar het dan ook nog eens weet te verwoorden.

Dusty In Memphis (original)

En het gaat bij hem ook verder dan al dat associatief gedoe: “(…) there is a class of recordings that belong to a still more elevated category. When, above, I refer to albums that “return to the player even as the world around them changes”, I am referring to just such a class. The relevance of these albums transcends the one-to-one correspondence whereby, for instance, the Gun Club’s Fire Of Love, through some curious shape-shifting capacity, comes to embody the spring of 1982 (…) The recordings that go beyond that level of correspondence become emblems of more than just one passage in our lives, they become (…) emblems of us, artefacts of self-definition. Such special albums rattle our cages again and again (and sometimes we use them, with limited success, to rattle the cages of others). It’s hard to say why. But that’s what they do.” Voilà, als dat niet de belofte is van het uit de doeken doen van een amoureuze affaire tussen man en plaat, luisteraar en muziek. Aan het einde van de inleiding voegt hij er zelfs er aan toe dat het feit dat de plaat belangrijk is voorafgaat aan het eerste woord dat in het boek gezegd werd, dat de waarde van Dusty In Memphis een vooraf bepaald gegeven is, een premisse die niet te ontkennen valt.  

Warren Zanes is een beter schrijver dan Wolk (Live At The Apollo), maar terwijl die laatste z’n boekje té vol probeerde te stoppen met lijstjesmateriaal, lijkt het Zanes helemaal niet te doen om de plaat zelf, maar een groter, vager kader, nl. dat van “the South”, hoe ze wordt gepercipieerd, tot onderwerp van mythologie gemaakt wordt en, als locatie voor de opnames van Dust In Memphis, iets is dat de opnames alleen maar kon doordringen, zowel via de studio, de muzikanten, als alles dat ermee te maken had. De introductie biedt een glimp van wat de plaat betekent voor Zanes, en het nawoord, een interview met ooggetuige Stanley Booth, bevat wat concrete informatie, maar de vier hoofdstukken ertussen – 100 pagina’s tekst – vertellen minder over de plaat dan de liner notes die je kan vinden bij de Deluxe Edition van het album van een paar jaar geleden. 

Wat dan wel? Een hoofdstuk vol memoires over o.m. die Stanley Booth, een enigmatisch figuur die een boek zou schrijven over een tournee van de Rolling stones, geen onbekende was in het muzikantenmilieu in Memphis, en gevraagd werd om liner notes te schrijven bij de orginele versie van Dusty In Memphis. Hier poneert Zanes ook voor het eerst zijn stelling dat er een cultureel landschap is dat begrepen moet worden om de charme, de waarde, het “anders zijn” van de plaat te vatten. Geen paniek voor degene die nooit in Amerika is geraakt, boven of onder de Mason-Dixon lijn, in of buiten de Bible Belt: het zich bewust zijn van een door populaire verbeelding geschapen beeld van het zuiden, de vorming van de mythe, is al een aardige stap op weg. Het zuiden is immers al zo lang onderworpen aan definiering, door outsiders én insiders, door serieuze denkers en zwanzers, dat niemand er nog een idee van heeft wat eigenlijk waarheid is en wat fictie, en waar de scheidingslijn tussen de twee zich ergens bevindt. Het is enkel een feit dat outsiders die ernaar op zoek zijn/waren of ermee geconfronteerd werden, of het nu ging om The Band (Canadezen) of Springfield (eigenlijk Mary O’Brien uit Londen, Engeland) wel aan den lijve zullen ondervinden dat het gaat om een totaal andere wereld down there

 Dusty Springfield - 60s Compilatie

Een tweede hoofdstuk handelt voornamelijk over de tot icoon uitgegroeide Jerry Wexler. Als een van de grote figuren bij Atlantic, samen met de twee Erteguns, Arif Mardin en Tom Dowd, was Wexlers invloed op de populaire cultuur van de voorbije vijftig jaar ongetwijfeld enorm, maar dat verklaart niet waarom Zanes zelfs zo ver gaat om het te hebben over Wexlers vroegtijdig geaborteerde carrière als literair schrijver. Het is wel best boeiend om te lezen hoe Wexler wordt betrokken bij het debat over mythevorming en authenticiteit waarbij hij, net als bvb. Alan Lomax, maar dan anders, bijdraagt aan het vastleggen van de zuiderse spirit, en het onbegrip dat het kan veroorzaken voor buitenstaanders. 

Zo is het algemeen bekend dat de opnames voor Springfield zelf ook erg hectisch waren. Herhaaldelijk wordt in liner notes, muziekoverzichten én in dit boekje verwezen naar Springfield als een ‘getroubleerd’ persoon, een zo sterk door onzekerheden en twijfels getormenteerd individu, dat het enige antwoord puur theater of een rollenspel kon zijn. Dat ging effectief zo ver dat de ooggetuigen het decennia later nog steeds hebben over de uren die de perfectionistische Springfield doorbracht met maquilleren en omkleden. Later zou duidelijk worden dat Springfield zo geïntimideerd was dat haar vocals later pas, in New York, zouden opgenomen worden. 

Het derde hoofdstuk bevat vooral terug memoires en schetst hoe Zanes’ eigen visie op het zuiden gestalte kreeg. De hoofdbrok werd bewaard voor het vierde en laatste hoofdstuk, een gewichtie lap tekst waarin Zanes het volkse laat voor wat het is, en zijn tekst begint vol te stouwen met academische bedenkingen, filosofische beschouwingen en praat die waarschijnlijk goed was om heel wat muziekfans op zoek naar een lekker weglezend brokje infotainment over hun favoriete plaat op stang te jagen. Het gaat immers over de aan het zuiden toegekende authenticiteit, en hoe die op allerhande manieren gemanipuleerd wordt. Dit is niet enkel het geval bij degenen die vanop afstand iets concreet nodig hebben om naar te verwijzen, maar zelfs ook bij de rechtschapen antropoloog die onbezoedeld de feiten wil weergeven/registreren. Ook chroniqueur Alan Lomax kan volgens Zanes dus niet als onschuldig beschouwd worden, net omdat Lomax bovenal een voorkeur had voor een statische waarheid, een wereld die in zijn geval aansloot bij de voorgeprogrammeerde visie die hij had op de “Afrikaanse” puurheid van de zwarte muzikant. Voor verandering, verschuiving van idiomen, een poging om dat verleden los te laten, was daarbij geen plaats. Lomax wilde eerst en vooral zijn eigen beeld op dat zuiden bevestigd zien en was, al dan niet bewust, bereid een oogje dicht te knijpen. Lomax deed immers ook niet liever dan bluesnegers laten opdraven in een werkplunje. For real. Ook dat heeft gevolgen voor de visie op het zuiden in popcultuur, als een wereld waar de “pure zwarte” nog “echte” muziek maakt.

 Dusty In Memphis (Remastered / Deluxe Edition)

De stereotypering van dat zuiden kan alle kanten uitgaan én kan, zoals Zanes beweert, zowel iets hebben van een dystopie als een utopie. Nu wordt het zuiderse universum eens voorgesteld als een natuurlijke leefwereld die ver verwijderd is van het artificiële van het door de blanken opgebouwde noorden, een wereld die puur is, seksueel is, waar traditie in ere wordt gehouden, waar waarden bestaan, waar de mens echt is. Anderzijds kan het ook leiden tot portretteringen die het hebben over incest, debiliteit, racisme en geweld (de goed vs. kwaad-tegenstellingen die een constante zijn in de literaire Southern Gothic-traditie en recent ook uitgebreid aan bod kwamen in de muziekdocumentaire Searching For The Wrong-Eyed Jesus (2005) met o.m. Jim White en Johnny Dowd). Zelfs een pionier als Lomax speelde op die manier dus niet eerlijk het spelletje. Het toekennen van een zekere authenticiteit suggereert immers een zekere pretentie (hij die toekent stelt er zich nog eens boven), plus door die authenticiteit te erkennen slaagt diegene er ook nog eens in zichzelf bij die authenticiteit te betrekken en credibiliteit te geven. Want authenticiteit, dat wil elk mens. Het stelt heel wat discussies over blues, roots en traditionele muziek in het algemeen een beetje in een ander daglicht. 

Het is allemaal interessante materie die kan leiden tot boeiende discussies, maar je leert natuurlijk wel geen concrete kloten bij over Dusty In Memphis. Het is natuurlijk wel duidelijk dat Zanes wil suggereren dat Springfield, als proponent van een cultuur van bombast en theatraliteit, van maskers en van acteren, misschien wel de ideale outsider was om het zuiden binnen te treden en voelbaar te maken voor niet-ingewijden. Probleem: de ongemakkelijkheid die Springfield daarbij moet gevoeld hebben, wordt nul komma nul uitgediept en op geen enkel moment tastbaar gemaakt, waardoor je als lezer toch beroofd wordt van het hoofdgerecht waar je naar zat uit te kijken. Springfield blinkt vooral uit in afwezigheid, wat een gemiste kans. 

Zanes raast dus verder over antropologie, “identificatie als omweg”, authenticiteit, zwarte visies op een voornamelijk zwarte cultuur en sociaal theater, maar vergeet vooral iets concreets te vertellen over datgene wat de titel en de reeks beloofde: het album Dusty In Memphis. Daardoor is het boek ideaal voer voor volk dat graag een intellectueel en academisch discours afsteekt over muziek (op zich geen zonde, natuurlijk), maar als je inzicht wil krijgen in het opnameproces, de bijzondere charme van de muziek, de stijl van Springfield en de diversiteit van de songs, dan ben je beter af met de Deluxe Edition (met de groene cover), die een voorwoord bevat van Elvis Costello, en liner notes van Jerry Wexler (co-producer), Arif Mardin (arrangementenman), Tom Dowd (engineer) en Stanley booth. (**(*))

NP: Dusty Springfield – Dusty In Memphis (ah ja)

(edit: mijn excuses als bovenstaande te lang, te saai, te onsamenhangend is. dit is een blog en ik denk niet echt na voor ik begin te tokkelen. ramblin’ man, hee haw!)

Read Full Post »

Douglas Wolk - Live At The Apollo

Uit de 33 1/3-reeks van Continuum Publishing, een reeks boekjes die me (elke rockfanaat?) op het lijf geschreven is. Ze gaan immers niet over artiesten (genoeg veredelde biografieën already!) maar over albums. Inderdaad, boekjes van een slordige honderd pagina’s in handig zakformaat die gaan over gemiddeld 40 minuten muziek. De voorbije vier jaar zijn er intussen al een paar dozijn verschenen en zowel classic rock (Let It Be (van The Beatles én The Replacements), Led Zeppelin IV) als indie (Bee Thousand, Loveless), oudere cultclassics (Forever Changes, Torut Mask Replica) als nieuwere (Endtroducing, In The Aeroplane Over The Sea) kwamen al aan bod. De grootste troef is misschien wel dat er geen vooropgestelde regels zijn voor de auteurs in kwestie. Er zal wel een kwaliteitscontrole zijn op schrijverij, maar de auteurs worden vrijgelaten om te doen wat ze willen.

Die auteurs zijn niet noodzakelijk mensen die professioneel bezig zijn met muziek, nu eens gaat het over muziekfans, critici of academici, maar ook muzikanten werken mee. Zo schreef Buffalo Tom-voorman Bill Janovitz, die ook schrijft voor www.allmusic.com, het deel over Exile On Main Street, schreef muzikant Joe Pernice een novelle geïnspireerd door Meat Is Murder, gaat het boekje over Endtroducing eigenlijk over een knoert van een interview met DJ-Shadow, etc. De ene gaat academisch tewerk, zoekt naar grote lijnen, de andere verkiest een anecdotische microscoopaanpak. In het boekje over Double Nickels On The Dime wordt bijvoorbeeld elke song afgebroken tot z’n basisbouwstenen en heropgebouwd met bedenkingen over teksten, muzikale verwijzingen, inside jokes, etc. 

Het mag duidelijk wezen dat deze reeks er niet is voor de casual liefhebbers van een streepje rock-‘n-roll. Het lezen van deze boekjes heeft geen enkele zin als je de platen niet minstens een keer hebt gehoord. Eigenlijk ben je zo goed als verplicht om te plaat in huis te hebben, of ze zo goed te kennen dat je meteen weet waar het over gaat. Voor ik deze boekjes lees (totnogtoe enkel Double Nickels On The Dime, Loveless, Live At The Apollo en intussen Dusty In Memphis), beluister ik de platen eerst aandachtig, lees ik de liner notes, de lyrics, zoek ik wat informatie op in boeken en op het net over de context, waarna ik begin te lezen. Tijdens het lezen leg ik dan opnieuw de songs op waar ik op dat moment over lees. Da’s tof jong! 

3313

In zijn boekje over James Browns klassiek liveplaat Live At The Apollo gaat Douglas Wolk ook eerder voor de secce, historisch geinspireerde aanpak. Hij heeft het daarbij niet enkel over James Brown de artiest en de overgangsperiode waar soul in verkeerde (het rijk van Charles en Cooke zou immers spoedig overgaan in handen van Otis Redding, van Atlantic, Stax, Muscle Shoals, etc) maar over Brown als “Hardest Working Man in Showbusiness” (met meerdere shows per dag was de discipline en werklust fenomenaal), maar ook specifiek over wat er zich in Harlem afspeelde die avond: de voorprogramma’s, het publiek, de setlist. Interessant is ook het bredere historische kader dat erbij wordt gesleept: op 24 oktober 1962 stonden de Verenigde Staten en Rusland immers hel erg dicht bij een nuclair conflict. Natuurlijk werd de echte kernbom dan tot ontploffing gebracht op het podium van de Apollo (een wat al te voor de hand liggende analogie, maar kom, ik doe zelf ook te weinig moeite om dat sort vallen te ontwijken). 

Ik hou wel van de geinformeerde, met argumenten, feiten, namen en data gelardeerde aanpak die voor anderen dan weer een te hoog baksteengehalte heeft. Als de schrijver van dienst daarbij nog eens weet te imponeren met verrassend taalgebruik, dan is dat natuurlijk mooi meegenomen. Er zijn echter ook heel wat mooischrijvers die zich al te veel verbergen achter stijl, die het ego al te zeer op de voorgrond stellen (begin een dagboek of een blog, klojo) of die niet kunnen verhinderen dat ze snel ontmaskerd worden als pretendenten. Zelf kan ik pas echt respect opbrengen voor een criticus/(muziek)journalist (nog altijd iets anders dan een literair schrijver) als die me iets te vertellen heeft, als die me kan inwijden in een wereld zonder me af te schrikken/alieneren en zonder me te behandelen als een klein kind. Het is sterker dan mezelf.. 

Ik heb niks aan penners die me niets aan te leren hebben, die er nooit in slagen een nieuw inzicht aan te dragen, die niets doen dan herkauwen (en ik beweer al helemaal niet dat ik daar wel in slaag), die te lui zijn om moeite te doen. Lang leve the big picture, en lof voor degene die erin slaagt het web van associaties tussen tijdperken, generaties artiesten, opvolgingen van genres en wederzijdse beinvloedingen bloot te leggen met kennis van zaken, overtuigende argumenten en een neus voor overtollige bullshit. Kapotanalyseren hoort daar niet bij (de extase die gepaard gaat met het beluisteren van een plaat, het bekijken van een film, het verbranden van een van Daans CD’s of het degusteren van een mattentaart is nu eenmaal geen zaak van objectief vast te leggen criteria), het mysterie mag, nee moet, een beetje intact blijven. Enfin ja, van in cirkels lullen gesproken.  

De goede verstaander weet waar ik heen wil. Een plaat is zelden een artefact zonder banden met een grote(re) werkelijkheid. Het is expressie die relaties heeft met een (of meerdere) perso(o)n(en), een tijdperk, een stijl en een voorgeschiedenis. Het is een werk dat tot op zekere hoogte uit elkaar gehaald kan worden en tijdens verschillende stadia even intrigerend kan blijven. Grote platen weerstaan uiteindelijk dan ook doorgedreven analyse, overstijgen dat door als geheel veel meer te bieden dan de delen afzonderlijk. Het is aan de schrijver om de waas die daar over hangt even te doordringen en de illusie van transparantie even intact te houden. 

Wolk kent duidelijk z’n geschiedenis, inclusief verwijzingen naar voorgangers, tijdsgenoten en navolgelingen van Brown, maar wat kennis/informatie in de tekst steken betreft gaat hij net wat té ver: hij kan het immers niet laten om keer op keer te laten weten wat de chart position van elke song was, in welk jaar die opnieuw de charts indook en wie al dan niet nog succes had ermee. Wolk investeert behoorlijk wat van het boek in de omstandigheden van het concert: het geluid, het publiek, de bewering dat Brown zich zou ingehouden hebben om zijn label – dat sowieso al weigerachtig stond tegenover het uitbrengen van een live-album – niet voor het hoofd te stoten met een opname van slechte kwaliteit vol vervormde zang, feedback, etc.

Wolk slaagt er wel in om met veel enthousiasme te schrijven over een zinderend optreden en een legendarische live-plaat die het tijdperk van de moderne soul zou inluiden, al is het geen eye-opener. Je komt te weten wat er allemaal gebeurde, maar niet waarom dat net zo bijzonder was, en dat is net waar ik naar op zoek was. (***)

* Een goed, inleidend artikel over de reeks op Kindamuzik: ici. 

* De beschikbare lijst (voorlopig 49 titels) en geplande werken: ici. 

NP: King Crimson – Red

King Crimson - Red

Read Full Post »

%d bloggers liken dit: