1. The Chicago Octet/Tentet (Peter Brötzmann Chicago Octet/Tentet)
2. Machine Gun (Peter Brötzmann Octet)
3. Köln (Last Exit)
4. Little Birds Have Fast Hearts (Die Like A Dog Quartet)
5. No One Ever Works Alone (Sonore: Brötzmann, Vandermark & Gustafsson)
6. Never Too Late But Always Too Early (Brötzmann, William Parker & Hamid Drake)
7. Black Hole (Full Blast)
8. Tales Out Of Time (Brötzmann, Joe McPhee, Kent Kessler & Michael Zerang)
9. Hairy Bones (Brötzmann, Kondo, Pupillo & Nilssen-Love)
10. The Bishop’s Move (Evan Parker Trio & Peter Brötzmann Trio)
De voorbije twee maanden wat minder gelezen, al werd dat gelukkig wel gecompenseerd door een paar heel fijne leeservaringen.
Patrick Ness - The Ask And The Answer.Tweede deel van de Chaos Walking-trilogie, waarvan het derde deel gepland staat voor 2010. Samengevat: vermoedelijk het beste jeugdboek dat ik las sinds, uhm, m’n jeugd. Inhoudelijk zit het anders, maar je zou het kunnen vergelijken met The Lord Of The Rings: het eerste deel is lichter van toon, kleurrijk, haast een avonturenboek. Het tweede deel is een pak donkerder, gewelddadiger en wat taaier. Maar het is een bescheiden triomf geworden: een onheilszwanger en goed geschreven oorlogsboek met sci-fi- en fantasy-elementen, en onderliggende thema’s als genocide, collectieve schuld, individuele verantwoordelijkheid, racisme, etc. (****1/2)
Ian McEwan – Amsterdam. De gruwel van McEwan wordt gedomesticeerd, nog wat verfijnd, verburgerlijkt en het gevolg is dat z’n boeken toch wat van hun charme verliezen. Nog op het programma: ’s mans meest bejubelde werken Atonement, Saturday en On Chesil Beach. Benieuwd wat dat brengt. (***1/2)
Anthony Bourdain – Kitchen Confidential: Adventures in The Culinary Underbelly.Een beetje een Jamie Oliver from hell, deze Bourdain. De man staat achter het fornuis is een gerenommeerd New Yorks restaurant en doet uit de doeken hoe het eraan toe gaat in die betere restaurants. Wat volgt is een brok opschepperij van een paar honderd pagina’s, over slavenlabeur, drugsgebruik in e keuken, geweld en andere toestanden die de onwetende restaurantbezoeker zelden of nooit te zien krijgt. Bij momenten héél erg grappig, zeker als je het zootje in je achterhoofd verplaatst naar een Vlaemsche locatie, maar het blijft uiteindelijk ook bij een repetitieve opsomming van sterke verhalen. (***)
George P. Pelecanos – The Night Gardener en The Turnaround. De eerste is een prima mystery thriller, de tweede is een uitstekende toevoeging aan zijn meer sociaal-realistische werken. (***1/2 en ****)
A.F.Th. van der Heijden – Doodverf.Elders uitvoerig genoeg besproken. (****)
Mark Oliver Everett – Things The Grandchildren Should Know.Een van de meest leesbare boeken van een muzikant ooit? Misschien wel, want Everett (E) slaagt erin om de bullshit tot het absolute minimum te beperken. TTGSK bevat de memoires van een man die op z’n veertigste al genoeg heeft meegemaakt voor drie mensenlevens. De toon van het boek is het bijzonderst, een opmerkelijk evenwicht van berusting, ernst en humor. Wordt een groot deel van het boek gespendeerd aan het verziekte gezinsleven van de Everetts, de dood van zijn ouders, de zelfmoord van zijn moeder en de ellende van anderen in zijn omgeving (Everett is echt een shit magnet), dan biedt het ook het verhaal van Eels. Je hoeft echter geen fan te zijn om het te kunnen waarderen. (****)
Phil Freeman – Sound Levels: Profiles In American Music, 2002-2009. Bundel interviews die Freeman de voorbije jaren schreef voor allerhande publicaties. In deze bundel bespreekt Freeman, een muziekjournalist die zowel over free jazz als extreme metal schrijft, vooral de driehoeksverhouding tussen de artiest, diens rol op het podium en het publiek. Het levert interessante conversaties op met figuren als Tom Waits, Ornette Coleman, Eugene Robinson (Oxbow), Mike Patton, David Thomas (Pere Ubu), de jongens van SunnO))) en een resem andere bekende en minder bekende figuren. Verkrijgbaar als boek of download (voor 3,5 euro) via Lulu. (***1/2)
Richard Price – Lush Life. Schrijver van Clockers, Freedomland, Samaritan én schrijver voor The Wire. Beetje vergelijkbaar met Pelecanos, maar dan serieuzer, nog meer op de route van het realisme en soms met een Dickensiaanse opzet. Een verhaal over grootstadsmisdaad, maar ook de manier waarop het levens verandert en verhouding bepaalt tussen klassen en rassen. Indrukwekkend (****).
Paul Auster – Invisible. Of eigenlijk Onzichtbaar, de Nederlandstalige versie. De beste Auster in lange tijd, met typische experimenten én een verhaal dat boeit. (****)
James Ellroy – Blood’s A Rover. Derde en laatse deel van de Underworld USA-trilogie. Lijkt de stilistische waanzin van de twee vorige delen niet verder te zetten: het boek is iets minder taai en complex dan voorganger The Cold 6000, waardoor het eerder aansluit bij American Tabloid. Het verhaal wordt verdergezet vanaf 1968 en loopt tot 1972. Opnieuw volgt Ellroy drie protagonisten, allemaal op de een of andere manier betrokken bij wat er achter de politieke en criminele schermen gebeurt. FBI, maffia, J. Edgar Hoover, Howard Hughes, communisten, zwarte miltanten, allemaal zitten ze met hun motieven verstrengeld in aanvankelijk onontwarbare verhaallijnen die gaandeweg duidelijker worden. Elementen uit de hardboiled-traditie worden gekoppeld aan een politieke thriller vol paranoia, msileidende façades en geweld. Opnieuw niks voor gevoelige zieltjes (en blijf ervan af als je totaal geen voeling hebt met de politieke geschiedenis van de VS), maar die typische schwung, dat ritmische vertellen, die taalwoede, blijft intact. Een boek dat de noties van de traditionele roman op z’n kop zet en uitpakt met een zeldzame combinatie van ambitie en lef. De voorbije jaren kwam je redelijk wat pastiches tegen van ’s mans ultra-herkenbare stijl, al kan je niet anders dan vermoeden dat het gaat om een verdedigingsmechanisme. Het is immers weinigen gegeven (Selby? Miller?) om keer op keer zo verwoestend uit te halen en of je nu houdt van die stijl of niet, het is als getuige zijn van een razende natuurkracht. Blood’s A Rover is een beklemmend, verwarrend en overdonderend meesterwerk. Het is inderdaad maar misdaadliteratuur. Het schrijft ook 95% van de Vlaamse schrijversgilde op een navelstaarderig hoopje. (*****)
Eugene S. Robinson – A Long Slow Screw. Beantwoordt aan wat ik ervan verwachtte. Een bevlogen misdaadroman in de hardboiled-traditie. Al is overcooked misschien beter, want Robinsons geweld gaat net iets verder dan dat van zijn voorgangers. Begint wat krampachtig en komt moeilijk op gang, al is de tweede helft een overtuigende rit. (***1/2)
Nu bezig: David Simon – Homicide:A Year On The Killing Streets. Om de Wire-ervaring nog eens mee te maken.
Whoa, net gezien dat onlangs een monsterbox verscheen met werk van een van m’n favoriete bluesmannen: Freddie King – Taking Care Of Business: 1956-1973 (Bear Family, 2009)
“7-CD box, LP-size, 104 pages hardcover book, 168 tracks, playing time 549:28. Everything the legendary electric blues guitarist cut in the studio from 1956 to 1973 for El-Bee, Federal, King, Cotillion-Atlantic, and Leon Russell’s Shelter Records! Every killer instrumental he waxed during his early 1960s hitmaking heyday, including ‘Driving Sideways’, ‘Wash Out’, ‘Low Tide’, and ‘Remington Ride’ plus his original hit recordings of ‘Hide Away’, ‘Lonesome Whistle Blues’, ‘San-Ho-Zay’, ‘I’m Tore Down’, and his piledriving ‘Going Down’! Seven completely full discs including early rarities and previously unreleased alternate takes of some of his best-known Federal classics including ‘You’ve Got To Love Her With A Feeling’, ‘Have You Ever Loved A Woman’, and ‘See See Baby’, plus previously unissued Federal Recordings. An entire unissued 1968 demo session cut in Dallas that includes his rendition of J. B. Lenoir’s ‘The Mojo’ (available in no other studio version). Incredible unpublished photos and memorabilia plus comprehensive liner notes from Bill Dahl!”
Het Bear Family-label betekent helaas ook dat er een minder aantrekkelijk prijskaartje aan vast hangt (ca. 140 euro). Voorlopig heb ik het dan maar gehouden bij gaatjesvuller Burglar, voor enkele euro’s.
1. Get Yer Ya-Ya’s Out! The Rolling Stones In Concert
2. Exile On Main St.
3. Let It Bleed 4. Sticky Fingers
5. Beggars Banquet
6. 12 X 5
7. The Rolling Stones, Now! 8. Aftermath
9. Some Girls 10. Between The Buttons
Een week verlof achter de rug en vooral geluierd. Wel bijna A Long Slow Screw van Eugene S. Robinson achter de kiezen. Het boek is een beetje zoals de man: vrij intens.
De rest van de week zal in het teken staan van de brandstofverspilling: woensdag naar Venomous Concept (Aarschot), vrijdag naar Oxbow (Diksmuide), zaterdag naar Mats Gustafsson & co. (Hasselt). Daartussen ook nog een CD-release in Hasselt. Zondag slapen.
Laat het duidelijk zijn waarom hier geen welluidende zinnen, weldoordachte meningen en kritische stukjes allerhande terug te vinden zijn. Ik heb daar geen tijd voor (en meningen vindt u elders bij de vleet). Lijstjes daarentegen!
1. Trust Us
2. Phanerothyme
3. Timothy’s Monster
4. Black Hole/Blank Canvas
5. Let Them Eat Cake
6. Angels And Daemons At Play
7. Blissard
8. Child Of The Future LP
9. Little Lucid Moments
10. In The Fishtank 10 (w/ Jaga Jazzist Horns)
1. It’s Alive
2. Ramones
3. Rocket To Russia
4. Leave Home
5. End Of The Century
6. Road To Ruin
7. Too Tough To Die
8. Pleasant Dreams
9. Animal Boy
10. Subterranean Jungle
Street Kings (David Ayer, 2008). Grimmige flikkenthriller die duidelijk ontsproten is aan het brein van Ellroy. Brutaal, hard, cynisch. Eigenlijk aangenaam verrast door Keanu “Dude” Reeves, maar Forest Whitaker is een tegenvaller als theatraal uit z’n nek leuterend afdelingshoofd. (**1/2)
Deja-Vu (Tony Scott, 2006). Blockbusteralarm. Opnieuw een thriller, maar dan eentje met een soms wel heel erg bij de haren gegrepen sci-fi-randje. Een paar gedreven momenten, maar vooral veel bandwerk. Enemy Of The State en True Romance blijven Scotts beste. (**)
Entre les murs (Laurent Cantet, 2008). Verbluffend goed. Zelden of nooit een film gezien met/over jongeren en onderwijs die zo genuanceerd was, zo realistisch, zo perfect qua stijl en sfeer. De onverschilligheid en tegendraadsheid van de stadsjeugd, het eindeloze geëmmer van collega-leerkrachten, de klasdynamiek, de sleur, de opstootjes, de woord-tegen-woord-spelletjes, het zit er allemaal in zoals het is, zonder grote verhalen, zonder zwart/wit-toestanden of kleffe feel good-onzin. (*****)
Wanted (Timur Bekmambetov, 2008). High energy actienonsens, maar dan zo snel dat je amper de tijd hebt om vragen erbij te stellen. Qua acteerwerk valt niemand op, tenzij James McAvoy misschien, al is alles en iedereen dan ook ondergeschikt aan de special effects en flitsende actie. (**1/2)
Aanrijding in Moscou (Christophe van Rompaey, 2008). Al die prijzen en lovende kritieken creëren natuurlijk verwachtingen die niet ingelost worden. Barbara Sarafian is nochtans overtuigend, laat een geweldig Gents accent uit haar bek rollen en krijgt alle mooie scènes. Het probleem is echter dat de prima acteurs een beter verhaal met betere dialogen hadden verdiend. Nu zinkt het al te vaak in, waardoor het doet denken aan Vlaamse voorgangers die minder potentieel hadden. (***)
The Magnificent Seven (John Sturges, 1960). Legendarische, op Kurosawa’s The Seven Samurai gebaseerde western met schoon mansvolk als Yul Brunner, Steve McQueen en Charles Bronson. In m’n geheugen een klassebak en zowat het beste uit het genre. Het blijft een goede film, maar het is verre van een klassieker, met al te veel statische scènes en wat lullige dialogen. Wel goeie muziek, van Elmer Bernstein. (***1/2)
Dawn Of The Dead (Zack Snyder, 2004). Remake van de klassieker van Romero, die m’n favoriet van het originele trio is. Het gaat er nu allemaal veel wilder en hectische aan toe, zo’n beetje als in 28 Days Later, en de special effects spelen de hoofdrol. Degelijke boel. (**1/2)
10 Rillington Place (Richard Fleischer, 1971). Onterecht onbekend portret van psychopaat John Christie, op gewéldige manier gestalte gegeven door een fantastische Richard Attenborough. Voelt soms veel moderner aan dan hij is, heeft een geweldig sfeertje en sterk weerwerk van o.m. John Hurt. (****1/2)
Le silence de Lorna (Jean-Pierre & Luc Dardenne, 2008). Prima film, maar in m’n lijstje van Dardenne -favorieten hangt hij waarschijnlijk ergens onderaan te bungelen. Breekt een beetje met de pseudo-chaotische traditie van z’n sociaal-realistische voorgangers door een vaag misdaadelement toe te voegen, maar slaagt er niet in om echt mee te slepen en voelt te lang aan. (***1/2)
Monty Python & The Holy Grail (Terry Gilliam & Terry Jones, 1975). Ik moet stoppen met het herbekijken van oude favorieten, want op een enkele uitzondering na vallen ze me tegen. Deze Holy Grail bevat nog steeds een paar van m’n favoriete Monty Python-momenten, maar het duurt allemaal zo lang, lang , lang. Het kan me gewoon geen anderhalf uur meer boeien. Ni! (***1/2)
The Texas Chain Saw Massacre (Tobe Hooper, 1974). Vernieuwend en grensverleggend en al wat je wil, maar eigenlijk ook een klungelig zootje met wanstaltig acteerwerk, houterige montage, irritant geschreeuw (WAAR GEEN EINDE AAN KOMT) en meer van dat. Nu en dan wel leuk camerawerk (iets dat je ook zag bij de oudere films van Peter Jackson), maar uiteindelijk toch een zware tegenvaller (*1/2).
Palindromes (Todd Solondz, 2004). Zo mogelijk nog tegendraadser dan Happiness en een grote, cynische brok ellende. Bevat vrij experimentele elementen, zoals het feit dat het hoofdpersonage door acht verschillende personen (van verschillende leeftijd, met verschillende huidskleur, etc) wordt gespeeld, maar het is vooral de toon van de film die opvalt, met onwaarschijnlijk botte humor verpakt in brave burgerschijn. Je hebt er vaak geen idee van waar de man eigenlijk naartoe wil (uiteindelijk is de kern wel pure misantropie), maar het blijft wel hangen. (****)
Watchmen (Zack Snyder, 2008). Bevat heel wat geweldige beelden (die openingsscène alleen al), intrigerende personages (Rorschach!), goed in beeld gebrachte actie, maar krijgt te weinig ademruimte. Natuurlijk gebaseerd op een knoert van een graphic novel die het geen oneer wilde aandoen. Een aantal scènes is gewoon té lullig (al die blabla op Mars, waarvan de stripfans me ongetwijfeld zullen laten weten dat het zo veel beter was in het boek), het einde sleept veel te lang aan en er wordt te veel geprobeerd om toch maar wat psychologische diepgang erin te rammen, maar het is tenminste een superheldenfilm die afwijkt van de platgetreden paden. (***1/2)
De eerste aflevering gezien van Mad Men Season 3. Juij.
1. Night And Day
2. Look Sharp!
3. Jumpin’ Jive
4. Beat Crazy
5. I’m The Man
6. Live 1980/86
7. Volume 4
8. Body & Soul
9. Big World
10. Laughter & Lust
Eigenlijk ben ik niet zo’n frituurman. Ik vind frituurfriet wel OK, maar de dag van vandaag eet ik het zelden (een keer of 4-5 per jaar, en dat is, zo vermoed ik, onder het nationale gemiddelde). Dat was wel anders tijdens de studentenperiode, dan was goedkoop + vettig altijd een prima combinatie. Een tocht door de prehistorie:
1. Frituur Ferjean – Medaerstraat, Stokkem. De frituur die, samen met de smoutebollenkraam van de jaarlijkse kermis, bij m’n kindertijd hoort. Als ik me niet vergis was uitbater Ferjean (een échte kerel met een snor en een tattoo) een gewezen visser of zoiets. En hij had een Amerikaanse auto. In m’n geheugen waren z’n fritten hemels. Vooral bezocht in de 80s, zij het sporadisch.
2. Frituur Transport – ergens in As. Vooral legendarisch omwille van de monsterporties. Ook nog uit de tijd dat een groot pakske 40 frank kostte. We trotseerden de berg van Lanklaar met de fiets voor die frieten. Bestaat intussen niet meer,denk ik. Bezocht: einde jaren tachtig een paar keer.
3. Frituur Patrick – langs de (nieuwe) Studios in Leuven (Burgemeesterstraat?). Regelmatig gefrequenteerd in de periode 1998-2001. Sneed z’n frieten zelf en slaagde er steevast in om in z’n eentje de klanten te bedienen aan een verschroeiend tempo. Bij sommigen populair omwille van z’n stoofvlees(saus). Ik denk dat hij er nog steeds is, maar heb er geen idee van of het nog de moeite is.
4.Friterie Boubou – ook bekend als Chez Boubou, Pantheonlaan Koekelberg (net naast de basiliek). Onze favoriet toen we in Koekelberg en Sint-Jans-Molenbeek woonden (2001-2007). Verschrikkelijk drukke frituur-annex-verzamelplaats voor allochtone Belgen, maar snelle service, lekkere friet, nog betere mitraillette en superieure dürüm.
5. Fritland- Henri Mausstraat, Brussel (naast de beurs). Verguisd door de ene, de hemel in geprezen door de ander. Was jarenlang een vrij groezelig kot waar je tot ’s morgen terecht kon voor een ‘whooper’ en andere rotzooi. Werd een paar jaar geleden volledig verbouwd en verkoopt z’n whooper sindsdien, net als de andere Brusselse frituren, als “mitraillette’. Is ook niet meer zo laat geopend. Klassieker: mitraillette met andalouse (+ sla én gebakken uien), en een cola. Bezocht: nu en dan tussen 1996 en 2009.
6. Frituur Martin – op een straathoek in hartje Sint-Joost-Ten-Node. Brusselse legende, heel erg old school. Bezocht: een paar keer tussen 1996 en 2007.
7. Frituur De Brug – aan ‘t water in Geraardsbergen. Misschien hier aanwezig bij lokaal gebrek aan beter. Twee andere (Pico Bello in de Grotestraat en Express op het Stationsplein) kunnen fluiten naar een tweede bezoek. Bezocht: een keer of drie het voorbije jaar.
8. Frituur Antoine- Jourdanplein in Etterbeek. Meest bekroonde frituur van Brussel. Maar 1 keer geweest. Vette shit. Allez ja, vette shit.
9.Frituur Het Parkske- Parkstraat Leuven. Was een goeie keet toen het werd uitgebaat door een besnorde bodybuilder mid-jaren 90. Na een paar jaar onderbreking terug bezocht. Andere uitbaters, wat minder spectaculaire friet. Vooral bekend als de frituur die dichtbij was. Van des duivels oorkussen, etc… Bezocht: paar keer in 1994-1996, regelmatig in de periode 1998-2001.
10. Eigenlijk kom ik niet genoeg in frituren om de Top 10 vol te krijgen. Vul zelf maar in.
NP: Yoko OnoPlastic Ono Band – Between My Head And The Sky