Feed on
Berichten
Reacties

Ik leerde Brouwers (zijn boeken althans) kennen in de humaniora, toen ik eens Het verzonkene in handen kreeg. Met dit eerste deel uit de Indië-trilogie had ik meteen de smaak te pakken. Bezonken rood en het fenomenale De zondvloed volgden al snel. Ik deelde de liefde voor Brouwers ook met Stefan, een secretariaatsmedewerker van m’n school, die al even zot van boeken was, zelf naarstig werkte aan een eerste roman, zo vriendelijk was me een kladversie te laten lezen, en intussen ook al contact gehad had met zijn grote held. Het was bijzonder om als achttienjarige, in de vroege stadia van een oneindige literaire ontdekkingstocht, een gelijkgezinde te vinden bij het personeel van de school. Maar dat was daar mogelijk, verscholen in de bossen tussen Genk en Hasselt. Het contact is daarna wat verwaterd, het bleef bij de zoveel-jaarlijke sporadische contacten, maar het deed me wel deugd om te zien dat die eerste roman effectief gepubliceerd werd (in 1997), gevolgd werd door nog een reeks prima essaybundels, en dat hij twaalf jaar na onze nachtelijke leutersessie gelauwerd werd voor zijn derde roman, De engelenmaker.

 

Maar Jeroen Brouwers dus. Ik heb lang niet alles van hem gelezen (wat er wel o.m. tussen zat: debuut Joris Ockeloen en het wachten, Vlaamse Leeuwen, Groetjes uit Brussel, Zonsopgangen boven zee, Adolf & Eva & de dood, etc), maar op dat debuut na was er niets bij dat ik minder dan uitstekend vond. Brouwers is een uitermate bedreven essayist/polemist en een geweldig romancier, wat ook bevestigd werd door Datumloze dagen (2007). Ik las wat boeken van andere “Groten” als Reve, Mulisch en een aantal van Claus, maar nooit hadden ze met hun boeken een impact op me zoals Jeroen Brouwers. Claus mag dan wel de Koning van de Vlaamse Letteren geweest en jarenlang naar voren geschoven zijn als “onze” Nobelprijskandidaat, maar hij heeft me geen enkele keer weten te raken als Brouwers, wiens boeken een intensiteit, emotionaliteit en woordenpracht bezitten die ik bij Claus (in zijn romans althans) tevergeefs zocht.

 

Claus leek me te veel een betweter, een superieur stilist met een zwak voor epateren, ironische spielereien, bombarie, duffe navelstaarderij en een zelfmythologie. Het soort schrijver dat teert op rancune en aandacht en perfect gedijt in kunstenaarsmiddens waar hij van op z’n troon het gebeuren kon overschouwen en al dan niet goedkeurend knikken. Dan maar de misantropie, de eenzaamheid, de angsten van Brouwers, die vanuit z’n huis in de Limburgse bossen werkt aan een oeuvre dat stilaan gargantuesk genoemd kan worden. En Datumloze dagen is opnieuw een hoogtepunt in zijn carrière. Het is eenvoudig van opzet en bescheiden in omvang, maar het heeft de kracht van een overweldigende emotionele orkaan. Ik heb er geen idee van in welke mate het boek biografisch is (in zekere mate moet dat het geval zijn), maar deze monoloog van een eenzaat op leeftijd en zijn terugblik op zijn leven en in het bijzonder zijn relatie met zijn (aanvankelijk ongewenste) zoon, pakt uit met een naakte rauwheid en genadeloze introspectie, geboetseerd in een onnavolgbare woordenpracht.

 

Ik probeer met opzet om hier geen traditionele recensie te schrijven, m’n beperkte talent zou Datumloze dagen waarschijnlijk geen recht kunnen doen. Laat het volstaan te zeggen dat het een superieure roman is die inslaat op hoofd, hart én buik met een overweldigende impact. Na die laatste bladzijde is het een tijdje bekomen. Stilistisch kent Brouwers zijn gelijke niet in dit taalgebied, of toch amper (Van der Heijden mag in z’n schaduw zitten), hij legt de lat belachelijk hoog. Tegelijkertijd weet hij ook te raken met perfect verwoorde formuleringen, vergelijkingen en nietsontziende zelfkritiek. Goed gezind word je niet van dit boek. Meer nog: als alle boeken deze wrange combinatie van schaamte, eenzaamheid en spijt zouden uitdragen, dan hing ik lange tijd geleden waarschijnlijk met een strop rond m’n nek aan een balk te bungelen, maar man, wat een genadeloze oplawaai, wat een gruwelijk goed boek. (*****)

 

  • Jeroen Brouwers. Datumloze dagen. Atlas: Amsterdam, 2007. 190 pag.

 

NP: John Coltrane - Live At The Village Vanguard

 

Ode aan the cult band to rule all cult bands. Dat laatste is althans waar Nobakht de lezer van probeert te overtuigen. En Suicide is wel degelijk een van de meest unieke en kleurrijke bands uit de muziekgeschiedenis. Ze waren op en top New Yorks en beïnvloed door bands als The Velvet Underground en The Silver Apples begonnen ze rond 1970 reeds uit te pakken met hun radicale electro/rock-’n-roll-experimenten. Dit was jaren voor grote sier gemaakt werd in CBGB’s door schoon volk als Television en the Ramones, voor The New York Dolls naam en faam vestigden in het Mercer Arts Center. Er zijn weinig bands die zo hard categorisatie hebben geprobeerd te weerstaan en toch met zoveel genres en generaties in verband zijn gebracht. En die naam! Commerciële, euh, zelfmoord! Ze speelden niet enkel een rol in de ontwikkeling van de electro/dance (en worden op handen gedragen door volk als Aphex Twin en die van LCD Soundsystem), maar worden ook gezien als een enorme invloed op artiesten als The Jesus & Mary Chain, Primal Scream, Stereolab, Henry Rollins (die o.m. ook werk van Vega uitbracht op 2.13.61) en talloze andere punk-, wave-, shoegaze-, postpunk-, bleep-, ruis- en experimentele bands. Niet slecht voor een duo dat een jaar of zeven nodig had om zijn debuut op te nemen, een debuut dat dan ook nog eens een pak makker klonk dan de live performances moeten geweest zijn. En performances waren met, met de confronterende, loeiharde beats en geluidslagen van Rev en de hyperkinetische idiotie van Vega, die rondhoste als een Elvis op speed en geen confrontatie uit de weg ging. Ze maakten één klassieker, de titelloze met de bloedcover, waarop ze nu eens klinken als de electroversie van The Stooges, dan weer als een sinister Kraftwerk of een dolgedraaide freakshow, tijdens hun signature song “Frankie Teardrop”, meteen ook de geboorte van de aurale nachtmerrie. Het is een ongemeen boeiend verhaal dat Nobakht weet te vertellen, een aaneenstrengeling van mislukte pogingen, tegenslagen, indrukwekkende volharding, chaos en, geleidelijk, van achterstallig respectbetoon. Het probleem dat ik met dit boek had was dat het, net als bvb. Please Kill Me, het bejubelde punkboek van Legs McNeil en Gillian McCain, een oral history is. Suicide: No Compromise bestaat voor 90% uit quotes. Positief: zowel Vega en Rev als zowat alle belangrijke schakels en jongere generaties doen hun duit in het zakje. Nadeel: weinig analyse, weinig persoonlijke inbreng van de auteur en hier en daar een té hoog fanboy-gehalte. Desalniettemin is het essentiële kost voor fans en sympathisanten, liefhebbers van klassieke New Yorkse bands en de geschiedenis van een rasechte cult act. (***1/2)

P.S.: De makkelijkst verkrijgbare (en beste) editie van het debuut is een 2CD, waarvan de tweede CD naast opnames in CBGB’s ook 23 Minutes Over Brussels bevat, een legendarisch, vroegtijdig afgebroken optreden in het voorprogramma van Elvis Costello dat al snel uitmondde in pure chaos. Het is inderdaad zo dat er einde jaren zeventig nog makkelijk te scoren en shockeren viel, maar de manier waarop dit spektakel uit de hand loopt is ronduit hilarisch.

P.S. 2: Rev was niet enkel een leerling van Lennie Tristano, maar Suicide speelde begin jaren zeventig ook in het voorprogramma van Zoot Sims in het voormalige Birdland. Surrealisme!

  • David Nobakht. Suicide: No Compromise. SAF: London, 2005. 223 pag. 

NP: Stinking Lizaveta - III

Onlangs gelezen: dit vijfde deel uit de Wallander-reeks van de Zweedse misdaadauteur. Plus: de continuïteit van Wallanders geschiedenis. De beslagen ouwe rot past prima in het rijtje obsessieve rechercheurs met Morse (Colin Dexter), Rebus (Ian Rankin) en Banks (Peter Robinson), al is hij eerder het slachtoffer van Scandinavische melancholie en niet van het wegvretende cynisme dat zijn Angelsaksische collega’s drijft. In Dwaalsporen (1995), dat draait rond een op hol geslagen seriemoordenaar die schijnbaar zonder enig verband vooraanstaanden scalpeert en op andere creatieve manieren over de kling jaagt, valt ook opnieuw de licht maatschappelijk geëngageerde inslag op. Probleem is dat Mankells goedbedoelde bekommernissen na enkele delen lichtjes belegen beginnen te klinken. Neen, Zweden is géén Aards Paradijs of weggemoffelde natie bevolkt door braven, en ja, het is wél een moderne, amorele maatschappij die geen comfortabele schoot kan bieden aan de burgers, we weten het intussen wel, meester. Onderhoudend is het boek zeker, al is het onnodig lang gerokken (in tegenstelling tot het superieure Midzomernachtmoord) en lijkt het net iets te veel geïnspireerd door de serial killer-hausse van zijn tijd. Prima stuff voor twee lege avonden, maar geen openbaringen hier. (***)

  • Henning Mankell. Dwaalsporen. De Geus: Breda, 2006. 512 pag.

NP: Steve Reid Ensemble - Daxaar

The Bourne Ultimatum

Ook nog gezien: de met schroot gevulde adrenalinepulp van The Bourne Ultimatum (2007). Net als het vorige deel van de trilogie - The Bourne Supremacy - van de hand van regisseur Paul Greengrass (United 93), die de beproefde formule verderzet. Het probleem: het verhaal heeft niets om het lijf. Flinterdun. Rizla-dun. Door het gebrek aan narratieve impuls voelt het aan als een gerekte coda bij deel twee. Wat rest: een aaneenschakeling van achtervolgingen, kwistig uitgedeelde, welgeplaatste muilperen en nog meer spectaculaire achtervolgingen. Die actie is echter zo goed en meeslepend in beeld gebracht dat je als kijker bijna gedwongen wordt om te participeren. Hier dus geen klassieke excessieve explosies, rondborstige dellen en rollende spierbundels, maar iets meer gestileerde geweldballetten gemarineerd in een pseudo-stijlvolle Europese saus zoals in Ronin, etc. De razende achtervolging door de steegjes en over de daken en balkons van Tanger is bloedstollend goed in beeld gebracht. Daar komt dan nog bij dat missiemens Matt Damon de bijna perfecte actieheld een menselijk gezicht mag/kan geven en net iets meer sympathie afdwingt dan de Vin Diesels van deze wereld. Extra bonus: de aanwezigheid van acteerkanonnen als David Strathairn en Albert Finney, die echter te weinig kans krijgen om uit te blinken. Die laatste valt met z’n gejammer in de finale zelfs op in negatieve zin. Al is het niks in vergelijking met de belegen Bourne-serie met Richard Chamberlain (wie kent hem nog?) van zo veel jaar geleden. (***1/2)

NP: Constantines - Kensington Heights

Als je even niet (weinig) de tijd en de mogelijkheid hebt om naar concerten te gaan, dan is het bijzonder mooi meegenomen als die schaars bijgewoonde momenten memorabel blijken te zijn. Om maar te zeggen dat Johnny Dowd de N9 gisteren platspeelde met zijn typische mix van bravado, ongein, genialiteit en dementie, geruggensteund door het fantastische trio Kim Sherwood-Caso (zang), Michael Stark (toetsen) en Matt Morano (drums), die op imposante wijze Willie B. verving. Natuurlijk weer voor dertig man en een paardekop (waar zat u eigenlijk?), maar dat drukt de pret niet in Dowdland.

NP: Raymond Scott - Soothing Sounds For Baby, Vol. 1

 

 

 

 

 

Een eenvoudige vraag

Waarom vertellen ze op de radio waar er snelheidscontroles plaatsvinden? Dat de politie verhoogde alcohol-, snelheids- en andere controles aankondigt, daar heb ik nog begrip voor. Maar waarom rammelen ze op de radio steeds een lijst af van de plaatsen waar het pedaal wat minder naarstig ingedrukt mag worden? Waarom hebben ze een pagina waar je kan lezen waar het te doen is? De ene site rechtvaardig zijn bestaan door te beweren dat verkeersveiligheid zogezegd geen issue is en andere “misdrijven” (alcohol, gordeldracht, etc) geen prioriteit krijgen (wtf?), de andere heeft zelfs locatietools voor bedrijven. Je kan via SMS op de hoogte gehouden worden van de controles in je regio! Vertel er anders meteen bij welke handelszaken de deur ’s nachts open laten staan. En welke deuren in het oog worden gehouden. Moet ik dit absurd gezeik echt normaal vinden?

Een wens

… een maand verlof. Een maand rust. Slapen. Lezen. Rondlummelen. Zetelliggen. Wandelen. Nu: niks gedaan krijgen en tegelijkertijd verzuipen in vanalles. Zoiets. Mijn borstkas is te klein voor mijn hart aan het worden.

NP: Neurosis - “Origin” (op repeat)

Fear X

Ook gezien: Fear X (2003) van de mij onbekende Deense regisseur Nicolas Winding Refn. De titel is niet bepaald veelbelovend, je verwacht één of ander CGI-spektakel met voluptueuze babes en zo, maar dat kan niet verder van de waarheid zijn. Wat mijn aandacht trok was de aanwezigheid van de lichtjes geweldige John Turturro, die in twee van m’n lievelingsfilms opduikt (Do The Right Thing en Barton Fink), maar intussen precies in de vergetelheid terechtgekomen is. Fear X is een trage, afstandelijke, koele en zelfs creepy film. Turturro speelt Harry Caine, een veiligheidsagent in een shopping mall in een ondergesneeuwd Wisconsin wiens vrouw een tijd geleden vermoord werd in een parkeergarage. Hij is een obsessieve loner (een beetje à la Harry Caul in Coppola’s paranoiathriller The Conversation) en brengt zijn dagen door met het bekijken van bewakingsvideo’s en het catalogiseren van gezichten die op die dag in het shoppingcentrum waren. Naar aanleiding van een droom breekt hij in in het leegstaande huis aan de andere kant van de straat, waar hij enkele foto’s vindt die hem naar een diner in Montana voeren. Wat dan volgt is een verwarrende, bizarre trip die al snel ontspoort. Zoals verwacht gaat het met Turturro’s mentale stabiliteit steil bergaf en stel je je als kijker al snel de vraag of je nu aan het kijken bent naar werkelijkheid of Caine’s verbeelding, iets waar het vreemde einde geen antwoord op biedt. De eerste helft van de film is stilistisch erg sober, zo kalm, strak en ’gewoontjes’ zelfs dat je je snel ongemakkelijk gaat voelen. Het scenario werd geschreven door de regisseur, in samenwerking met auteur Hubert Selby Jr (zie: Last Exit To Brooklyn), die ook al het even tegendraadse Requiem For A Dream bedacht. Het laatste half uur van de film neemt een hallucinante duik in Lynchland en gebruikt wat stilistische ingrepen die wat geforceerd lijken, maar de ingetogen manier waarop Turturro door de film slentert (die dode blik!) en de onheilspellende drones van Brian Eno zorgen ervoor dat zelfs stalen zenuwen niet onbewogen blijven. Intrigerende stuff. (***1/2)

NP: The Stooges - Fun House

 

The Shield Season 5 & 6

Man man, screw the naysayers deze keer toch maar: The Shield blijft uitermate sterk, ook na de eerste, succesvolle seizoenen. Er is geen bal veranderd aan de formule: er wordt nog steeds geopereerd vanuit the Barn, detective Vic Mackey (Michael Chiklis) leidt het immorele, corrupte strike team, personages hebben hun duistere kantjes, er is geweld, a whole lotta foulmouthing, en het wordt allemaal gefilmd met die nerveuze handheld cameras, maar ook: het is spannend, beklijvend, intrigerend. Het is onvermijdelijk om The Shield te vergelijken met die andere superieure flikkenserie, The Wire. Ik vind beiden behoorlijk geweldig en toch ligt de aanpak van de twee soms mijlenver uit elkaar. Terwijl The Wire zich ontplooit met een schijnheilige rust, soms meer heeft van non-event theater en complete kalmte uitstraalt, is The Shield pure adrenaline: gejaagd, confronterend, direct. Beide hebben hun verdiensten, beide blinken uit in hun stijl. Als The Wire iets heeft van een obscure baksteen van een roman, een web van intriges en verbanden, dan is The Shield een roman van Elmore Leonard, PATS PATS PATS. The Wire is Bob Dylan, eindeloos intrigerend, maar ook soms moeilijk, tegendraads en langdradig (als je er niet van houdt). The Shield is AC/DC: swingen, rocken, een peer op a mulle, zoiets. The Wire is de mysterieuze kat, The Shield is als zijn hoofdpersonage: een pitbull met schuim in de mondhoeken.

Wat seizoen vijf zo geweldig maakt is de toevoeging van een tweede pitbull: internal affairs agent Jon Kavanaugh, vertolkt door de goddelijke Forest Whitaker (Bird!, Ghost Dog! The Last King Of Scotland!), die het op Mackey gemunt heeft en hem voor eens en altijd wil doen opdraaien voor de moord op een collega (zie: Season 1) en alle andere misdaden waarvoor hij verantwoordelijk gesteld kan worden. Als gastactrice in seizoen 4 was Glenn Close al behoorlijk overtuigend, maar Whitaker is geniaal als de geobsedeerde jager die in Mackey alles vindt waar hij principieel tegen is. Natuurlijk bevat de serie weer genoeg drug raids en assaults, en wordt er uitstekend weerwerk geboden door de overbekende nevenacteurs, maar alles draait om het gevecht tussen Kavanaugh en Mackey, een strijd die zal eindigen in een shockerende climax aan het einde. Season 6, oorspronkelijk opgevat als deel twee van Season 5 en ook het einde van de serie, bevat een aflevering minder (tien), biedt dezelfde kwaliteit, maar voelt minder aan als een volwaardig seizoen. De eerste drie afleveringen lijken deel uit te maken van 5, nieuwe elementen worden plots ingevoerd en als het een aflevering of zes later dan ten einde is, weliswaar met een goeie cliffhanger naar het zevende (en laatste) seizoen, dan zorgt het voor een onvoldaan gevoel. Maar toch: The Shield behoort tot de beste series van de laatste jaren wat mij betreft en biedt zoveel meer dan wat het oog aanvankelijk ziet. Dit bekijken aan een tempo van één aflevering per week is pure waanzin. Als de DVD ergens voor uitgevonden is, dan is het wel dit soort series. (5: ****1/2,  6: ****)

NP: Sharon Jones & The Dap-Kings - 100 Days, 100 Nights

 

 

Jarhead

Een stuk beter dan The Covenant: Jarhead (2005) van Sam Mendes (American Beauty, Road To Perdition). Zoals tot in den treure werd herhaald bij release biedt deze film weinig nieuws aan - het doet voor Irak (de eerste tournee van 1991) wat Full Metal Jacket, Platoon en Apocalypse Now deden voor Vietnam -, maar de film heeft toch genoeg stijl, karakter en prima acteerprestaties om overeind te blijven. Het is geen actiekermis à la Three Kings, maar probeert ook de absurditeit van de oorlog in 1991 uit te beelden. Het eerste half uur is ronduit uitstekend. Dit deel van de film, toegespitst op de training van de rookies die ‘jarhead’ (marinier) willen worden, is natuurlijk erg schatplichting aan Full Metal Jacket, zowel qua inhoud als stijl (die brede shots!), maar er zitten ook een paar hilarische momenten in. De scène waarbij Jake Gyllenhaal door Jamie Foxx bevolen wordt om zonder trompet Steve Wonders “You Are The Sunshine Of My Life” te blazen is een kleine klassieker. De film is gebaseerd op dagboeken van soldaat Anthony Swofford (Gyllenhaal), een gerateerde student die, zoals zovelen vermoed ik, net wat te veel tv heeft gezien om te denken dat er eer te rapen valt in een oorlog. De aanloop naar die oorlog is eindeloos. Als de Irakezen dan Koeweit binnenvallen in de zomer van 1990 lijkt er schot in de zaak te komen door de reis naar de woestijn, maar ook daar krijgen de soldaten af te rekenen met een klein half jaar overleven in de saaie droogte en wordt de tijd gedood met masturberen, lullen, oefenen, fuiven, langzaam zot worden en nog meer masturberen. En de oorlog, die duurt uiteindelijk vier dagen. De close combat van enkele decennia eerder is immers vervangen door een tactisch spelletje waarbij raketten en vliegtuigen het overnemen van AK-47’s en mini-ambushes in Rambo-stijl. Tekenend is de scène waarin Gyllenhaal en zijn partner (als sluipschutter en verkenner) erop uitgestuurd worden om een paar officieren die zich verschalken in een controletoren uit te schakelen, maar net op het moment dat ze toestemming krijgen om te schieten onderbroken worden door een andere militair die komt melden dat ze het zo mogen laten: een vliegtuig zal nl. de hele plaats platgooien. De scènes die zich afspelen tussen de in brand gestoken oliebronnen zijn haast onwerkelijk, maar de hele film lang wordt er bijzonder inventief omgesprongen met licht, hetzij door overbelichting (aankomst in de woestijn), hetzij door sterke contrasten. Naar het einde toe wordt de film wat drammerig (er zou ook zeker 20 minuten af mogen), maar het sterke acteerwerk en o.m. ook de fijne muziek (met op het einde zelfs “Soldier’s Things” van Tom Waits!) zorgen ervoor dat het toch overeind blijft als een memorabele, euhm, Irakfilm. (***1/2) 

NP: William Parker Violin Trio - Scrapbook (schone plaat, man!)

 

 

The Covenant

Schonemensenfilm. Alhoewel, die wulpse trientjes (ik heb het even opgezocht: Laura Ramsey en Jessica Lucas, en die laatste zit momenteel ook in CSI) mogen de eerste helft van de film wat rondhuppelen in slip en topje en daar is niets mis mee, maar dan heb je ook zo’n resem amper van elkaar te onderscheiden poster boys, 18-jarigen voorzien van die juiste net geschoren-look met een six pack waar Freddy De Kerpel meteen voor zou tekenen en een tred die ongeveer de cool van een dozijn Miles Davis-albums moet uitsralen. Ik had genoegen genomen met degelijke popcorn, maar The Covenant is het zwakkere broertje van vermakelijk vertier als X-Men en bull als Scream en I Still Don’t Know Why You Made This Movie, Pt. 7. Het gaat over een stel jongeheren die de nazaten zijn van met toverkracht gezegende families die zich in de zeventiende eeuw in Amerika vestigden om op de loop te gaan voor de heksenjacht. De vier jongeren zijn bijna 18, de dag waarop ze hun definitieve kracht verwerven. Er is echter een vijfde, die reeds al die kracht heeft, eraan verslaafd is, en ook de kracht van de anderen wil. Voor de rest: fancy special effects, actiescènes met luide metal (maar er zat ook wat Killing Joke in het begin!) en voor de rest dus mooie plaatjes van knapperds met onverstoorbare kapsels en glimmende cabrio’s, en een verhaal met de smaak van een belegen rijstkoek: derderangspoep. Maar meer had ik misschien ook niet mogen verwachten van Renny Harlin, die ook tekende voor Die Hard 2, de zwakste uit de reeks. (1/2)

NP: Vandermark 5 - Beat Reader

 

Oudere Berichten »